dinsdag 29 april 2014

Kunst, in haar schoonste element.


Poëzie en visuals. Voor de gelegenheid hebben Alexander Stragier en ik die twee eens samengebracht. Schoon was dat alles te ontdekken dat ze elkaar niet uitsluiten, maar verrassend goed aanvullen. De eenvoud van taal samengevoegd met de snelheid van beeld. Zo’n combinatie van uitersten waarmee we alledaagse verhalen kunnen vertellen. De grootsheid van een stad tegenover het gevoel van het individu daarin. Dat hebben wij beiden willen weergeven elk in onze eigen taal. Met het fantastische Brussel en grootse New York als bruisende bronnen van inspiratie.
Een bijzondere ontmoeting, die deuren kan openen en daar kan ik wel van houden. Kunst, in haar schoonste element.



video

Beeld en geluid: Alexander Stragier en Justine Cappelle
Gedicht en voice-over: Lies Gallez 

dinsdag 22 april 2014

Omdat iemand voor altijd missen wel heel erg lang is.

Unheimlich, een beter woord vind ik niet om de vreemde samenloop van omstandigheden die het leven en ook de dood heet te omschrijven nu.

’s Avonds op 16 april was ik de laatste beetjes perfectie aan het zoeken in mijn laatste hoofdstuk. Opeens telefoon en het leek alsof die luider rinkelde dan anders. Ik hield mijn adem in. Twintig seconden misschien, omdat ik dat niet veel langer kan.
‘Bobonne is overleden.’ die boodschap voelde ik overal, terwijl ik daar in mijn verhaal al maandenlang geschreven heb over een grootmoeder die doodgaat, niet zomaar dan. In mijn verhaal pleegt ze zelfmoord. Bobonne is immers vredig gestorven, als je dit soort woord al kunt gebruiken voor de dood. Ze was overigens ook niet mijn echte grootmoeder, maar dat heeft haar nooit tegengehouden om grootmoederdingen te doen en te geven aan ons.
Zij die haar tanden gretig heeft gezet in onze tijdsgeest met zo’n enthousiasme dat haar lang jong hield. Ze was eigenaar van een ‘fasseboekprofiel’. Ze zei dat zo schoon. Ik ben enorm van dat woord gaan houden. Ouderdom is de laatste jaren niet mild voor haar geweest. Pijnlijk jammer is dit alles.
Morgen dan lees ik wat woorden voor die ik heb gevonden zo dicht in en uit het verhaal, in mijn hoofd dat de laatste tijd wat moeite heeft met het teveel aan verschillende emoties.
‘Afscheid nemend ieder op zijn eigen manier, zo hoort dat en dan vraag ik me heel soms af: Wanneer went dat eigenlijk allemaal?

Omdat iemand voor altijd missen wel heel erg lang is.’

donderdag 17 april 2014

Heel wijs dat u dit alles toen al kon voorspellen.

Op mijn agenda prijken de woorden: ‘Alles wat te veel is, geraakt in strijd met de natuur’. Een citaat van Hippocrates van Kos, geboren in 460 voor Christus en grondlegger van onze westerse geneeskunde.

Dagelijks draag ik die mee en vaak kan ik dan alleen maar denken: Heel wijs dat u dit alles toen al kon voorspellen zonder onze huidige wereld te kennen.
Zo eentje van massaproductie, van oorlogen om olierijkdommen, van het wereldrecord om ter hoogste gebouwen bouwen, van alle soorten crisissen, van het voortdurend uit onevenwicht zijn om altijd maar meer en beter te hebben, van koude cijfers en procenten boven alle menselijke gevoelens en rechten, van The Sky is the Limit en YOLO en natuurlijk niet te vergeten ook YODO (You Only Die Once).
Een wereld die al te lang uit zijn gewone doen is, dat weten wij allen wel. Onder andere door het weer dat gretig in de war blijkt te zijn met de opwarming van de aarde waarover Al Gore het heeft in de film ‘The Unconvenient Truth’. Zo’n titel waarover we eigenlijk dieper zouden moeten nadenken tot we er echt geheel ongemakkelijk van worden. Door de kranten en hun verzameling aan verschrikkelijk grote tragedies. Door alle sociale media die aan een torenhoog tempo feiten en foto’s allerhande onze wereld insturen. Om vervolgens misschien gruwelijk te gaan wennen aan die permanente overdosis pijn en lijden. Misschien.  
En dan altijd collectief onverschillig blijven doorgaan het best met gesloten ogen. Dat vind ik moeilijk. Bijna onmogelijk eigenlijk. Ik ben het soort mens dat altijd alles ziet en voelt. Zeker dat laatste is soms verdomd lastig. Ik durf mij soms eens afvragen hoelang wij nog zo zullen door- en doldraaien met die aarde uit zijn gewone doen? Hoeveel verder wij nog in strijd kunnen geraken met die natuur?

Laat dit alles, die woorden even door dat hoofd waaien, grijp ze vast en kijk dan overal en altijd. U, ik, zij en wij kunnen alvast durven beter begrijpen, kritischer kijken en dan ook doen. Met oog voor alle gewone wonderen zo nabij en verder die kunnen inspireren en verdichting brengen over alle taal- en landsgrenzen heen. Omdat het pijnlijk noodzakelijk is, levensnoodzakelijk zou ik zelfs zeggen. En zoekt u dan misschien ook zo’n zin om voor altijd mee te dragen op uw agenda bijvoorbeeld, of in uw hart. Daar zeker. 


dinsdag 15 april 2014

Ach, jij met jouw woorden altijd. Waar ben je toch aan begonnen?

Al heel lang ben ik in datzelfde hoofd van mij bezig met een verhaal dat straks af moet zijn. Op zichzelf kan bestaan en meer nog klaar om gelezen te worden, misschien. Een roman al neem ik het woord zelden in de mond, omdat mijn ikje wat moeite heeft met zoiets gigantisch groots.

De befaamde laatste loodjes, zo zeggen zeg. Dagelijks, hard werkend om het geheel te voorzien van die gevoelige toon, van een rollend ritme, van hemelse vrolijkheid, van de nodige scherpte en dieptes die kunnen raken. Zo ergens vanbinnen waar geen woorden meer zijn. Dat hoop ik.
Een evenwicht dat ik als beginner zoek met veel trial en error, koorddansend met jezelf en al de rest. Vloekend, soms. Nu wat snotterend, omdat mijn gezondheid door het ferm zomerse weer uit zijn gewone doen is.
Dit alles is mijn masterproef aan het Rits in Brussel. Juist, ik ben een studerend schrijver en u leest dit misschien met gefronste wenkbrauwen waarvoor ik alle begrip heb. Het is een bijna paradox, maar een heel schone dan. In de geweldige cocon van student-zijn, heb ik in alle uithoeken van mijn lichaam gretig gezocht naar talent of iets dat in de buurt kan komen. Met af en toe een deksel op mijn neus en een muur tegen mijn hoofd. Zo botsen om meer te kunnen weten over jezelf, om kwetsbaarheden te laten thuiskomen in een vol leven, om eigenaar te worden van elke tijd, elk moment. Ik geloof daar wel in.
Ik heb heel lang tegen mezelf moeten praten. In de spiegel soms. Belachelijk echt, om de eerste woorden op dat te witte papier te kunnen krijgen. Hels was dat. En als ze daar dan eenzaam stonden, dacht ik al te vaak: ‘Ach, jij met jouw woorden altijd. Waar ben je toch aan begonnen?’
Nu weet ik al een beetje dat zo herhaald afvragen waarmee je bezig bent, meestal geen goed idee is. Het blokkeert, het hapert, het stopt, het valt stil. Zak en as en meer en dieper. Niet te veel nadenken, kan wel zo’n slagzin zijn voor eventueel succes. Maar toegegeven ik heb daar absoluut geen talent voor.
Toch lijkt alles zo gaandeweg organisch in zijn plooi te vallen. Op één of andere manier met volle twijfels en een overdosis volbloed enthousiasme. En aan mijn zijde een toppromotor, Diane Broeckhoven, die er altijd is met de juiste woorden, tips en aanmoedigingen allerhande zo aan die zijlijn met wat thee en lekkere koekjes. Dat ook.


Straks dan moet het maar gebeuren. Dat indienen en niet meer terugkunnen, dat loslaten zonder sluitende perfectie, dat uit handen geven en gelezen worden. Van die geprivilegieerde cocon naar de andere werkelijkheid, de te grote wereld om misschien nog meer deksels op de neus te krijgen en muren tegen mijn hoofd. En dan ook hier springen: met een hop-hoop-hopgevoel. Om alle dromen te doen en te doen dromen. Om te durven voluit vallen hier en nu. En dan morgen ook, opnieuw. 

zaterdag 12 april 2014

Springen en verder niets weten. Hop, hoop, hop.

Het begon met een mail. Daarin spraken ze me aan met ‘Mevrouw’ en ik vond het wel grappig om op deze leeftijd mevrouw te mogen zijn. Of ik eventueel wilde helpen met hun kortfilm, scenario en zo? Het verhaal erin liep nog niet helemaal, maar er was al een basis met goed bedachte elementen en gevatte ingrediënten. Verhaalstof in al zijn kleurrijke overdosis. Halfweg en goed begonnen, dat zeker.
Snel antwoordde ik hen dat ik wel aan boord wilde komen. Van heel veel nieuws heb ik altijd hard gehouden. Springen en verder niets weten. Hop, hoop, hop. Dat moet vast goed leven zijn, denk ik dan.

Zo ontmoetten we elkaar een aantal dagen later in Antwerpen, omdat die locatie geografisch in ons midden lag: een Nederlander, een Limburger en een West-Vlaming en dat straks allemaal zonder ondertiteling natuurlijk. We kenden Antwerpen niet goed genoeg om op het juiste terras te zitten en daar konden we best om lachen. Onze tafel verschoven we mee met de zon. Verder mocht niet, kwam de eigenaar ons vertellen met een wijzende vinger naar camera’s op het plein die ik niet zag. En zij ook niet. Ik knikte geforceerd vriendelijk en dacht nog: ‘Big Brother Bart, is watching us.’
Aan onze tafel waarop drie pintjes stonden, botsten onze accenten hard, terwijl we met gebogen hoofden over dezelfde papieren hingen. Straks zou vast iets geniaals volgen, dachten we hevig als bijna drie vreemden met een artistieke klik én blik.
Veel vragen stellend, af en toe wat vloekend, ploeterend, soms stilvallend om daarna opnieuw te beginnen. Met drie visies en één doel: een goede kortfilm bedenken. Zo zaten we daar met koppen waarin creativiteit hongerde en haperde. Brainstormend, om het met een stoffig modewoord te zeggen. Af en toe deden we aan aha-momenten, afgewisseld met brede glimlachen en één touw waaraan we ondertussen samen trokken.
Alles groeide gestaag. De wereld en haar personages, de structuur en haar grilligheden met scènes die klopten, die leefden in ons hoofd en straks ook op de set als het allemaal even meevalt. En het juiste budget kan volgen, dat ook. Dat zeker.
De kortfilm in zijn nog te grote kinderschoenen. Die magie doorleefden wij op het verkeerde terras op een plein met zijn kijkende camera’s.


Geestigheid en talenten van alle soorten hebben elkaar bij toeval ontmoet. Schoon is dat, zo samen zien en maken. Fascinerend leerrijk, al dat nadenken en steeds dieper graven. Terwijl ik naar het Station wandelde, dacht ik nog: Heerlijk leven is dit in al zijn gelukkige vrolijkheden, in werelden die we zomaar binnen- en buiten wandelen, bijstellen waar het moet. Anders te ademen, vrijer te bewegen en met alle barstjes en kwetsbaarheden voller te zijn en beter te kunnen schrijven, zeker dat laatste. 

vrijdag 11 april 2014

Word stil met mij, word week met mij om niet te vergeten.

Bewogen stil, zo stond ik daar onder de woorden ‘Arbeit macht frei’ met een lichaam waardoor, naar mijn weten, geen spatje Joods bloed stroomt. En toch, verstilde tranen, omdat wij ook gewoon mensen zijn. 1.100.000 doden, met zoveel waren zij, waaronder 25.000 Belgen. Allemaal mensen die genadeloos tot de verkeerde dood veroordeeld waren.

Het was geen dag om Auschwitz te bezoeken. De zon scheen vervelend fel. Het gewone leven was in zijn voortijdige zomerse doen. Ik liep er met een zonnebril op. Geheel toeristachtig en ergens ook een goedkoop afweermiddel tegen te grote emoties. Dat zeker.
Slenterend volgde ik mijn groep met oortjes in, geïsoleerd van alle menselijke taal, behalve Anna’s stem, onze gids, en af en toe wat terloopse blikken met mijn lief. Wij praatten niet. Wat valt er dan ook te zeggen als je zoveel tegelijkertijd voelt?
Anna schoot met details. Levendig pijnlijk. Hoe mensen hier maar tweemaal per dag naar het toilet mochten: voor en na hun werk. Zo’n twintig seconden hadden ze, ook dat werd getimed. Met naast je een mens en aan je andere zijde nog een mens. Geen toiletvriendelijke privacy, maar collectieve schaamte. Barbaars bitter. Ik slikte meermaals om het beter te begrijpen. Tevergeefs.
Een kampdokter had berekend dat je tussen de drie en zes maanden kon overleven op ’s morgens koffie, ’s middags soep die de naam niet waardig was en ’s avonds koffie. Ruim voldoende, zo vonden zij en ondertussen elf uur hard werken. Slikken, ja. Slik.
Goed verstopt achter alle leed, nog meer gruwel: douches die gaskamers bleken te zijn. De enige vleugjes hoop die mensen hadden bij het binnenrijden van de kampen na een ongehoord vermoeiende treinrit in veevoerkarren. Te klein, te druk, te doods. Zonder water of eten. Rechtstaand, dat ook en met een nieuw beloofd leven dat ze nooit kregen.
Zyklon B, zo heette de gifstof die door gaten in de gaskamers naar beneden viel. Dertig minuten, zolang stonden ze drukkend dicht bij de dood. Stel u voor, dertig minuten doodgaan in al zijn verschrikkelijke details.

Ik huiverde bij het zien van zoveel, van te veel. Van prikkeldraad die beestachtig gruwelijk rond het kamp gespannen was, van tonnen menselijk haar, van koffertjes waarop de namen van te jonge kinderen stonden,… Van dit alles en zoveel verdomd schrijnend meer.
3,5 uur wandelde ik in dat deeltje gitzwarte geschiedenis. Door de pijn, de tranen, de ijselijke onmacht. 
Woordeloos, zo ongeveer nam ik de laatste beelden in mij op met ogen naar de horizon, hard denkend, rouwend om wat was, om een verleden dat eigenlijk akelig dichtbij ligt.


Aan allen hier: Word stil met mij, word week met mij om niet te vergeten. Nooit meer te vergeten!




woensdag 9 april 2014

Voor u misschien ook wat schaamte op de kaken.

Ik kan er wel van houden van ochtenden die beginnen met fluitende vogels in onbewolkte luchten, verse koffie aan de ontbijttafel en mijn krant. Ochtendrituelen, zoals iedereen er misschien wel eentje heeft of zou moeten hebben.
En daarin lees ik alweer heel veel woorden van meneer De Wever. Hij, die in ons landje een pleidooi houdt voor meer gevangenissen en een strengere aanpak van criminelen, een lik-op-stukbeleid, zoals hij dat zelf noemt, want zo zegt hij: ‘Elke dealer die gepakt is, dealt nu gewoon verder met een enkelband om’. Ah ja, elke dealer? Dat denkt hij, als mens, als man, als vader. Meer bakstenen dus als het even kan op onbekende gronden die we nog moeten opsnorren. Altijd meer, moet toch ook beter zijn. Opsluiten en lang met een nultolerantie voor drugs of het nu gaat of soft- of harddrugs. ‘Dat onderscheid maak ik niet meer’, voegt De Wever nog toe. Van grijze zones houdt hij niet. Zwart-wit als het kan en ook als het niet kan.
Dat er iets grondigs fout zit in die redenering en in ons gevangenissysteem, kan een VTM-kijkende mens alvast niet meer ontkennen. Luk Alloo ontrafelde met doorgedreven nauwkeurigheid en het hart op de juiste plaats ons gevangenissysteem, eentje waarvoor we alvast collectieve schaamte op de kaken moeten dragen. Als ik vrouwen zie als Kim en Kelly die met drugsproblemen over éénzelfde kam geschoren worden. Genadeloos bijna. Criminelen, zo’n woord waarin geweld zit, waarin te weinig mens zit om goed te zijn. Gevaarlijke woorden als we ze veralgemenen, zoals meneer De Wever naar hartenlust doet, omdat de verkiezingen voor de deur staan en harde taal aanslaat, dat denkt hij. En dat verbaast mij jammer genoeg niet. 
Op diezelfde pagina in de krant lees ik ook nog dat hij geen bredere eerste graad wil in het secundair onderwijs waarbij hij dus met de sterkere leerlingen verder wil, kan ik zeggen als mens met een lerarendiploma secundair onderwijs op zak. En die zwakkere leerlingen? Ontneemt u ze dan heel bewust alle kansen? Denkt u dat zij straks ook gevangenissen zullen bevolken? Durft u dat te denken, meneer De Wever, als mens, als vader? Voor u misschien ook wat schaamte op de kaken.

Al die woorden en mijn ochtendritueel. Bitter, denk ik. Hopend dat ik samen met andere ochtendritueelliefhebbers en die niet-ochtendritueelliefhebbers heel snel een beetje beter leer weten, meer kan zien, dieper kan nadenken en dan misschien eens zeg of schreeuw: ‘Meneer De Wever, alstublieft, wat zult u met al die bakstenen gaan doen? Kunnen we dat geld niet zinvoller investeren in betere begeleiding tijdens de gevangenisstraffen om het recidivecijfer wat naar beneden te krijgen, zodat we wat van die collectieve schaamte op onze kaken kwijtraken?