zaterdag 16 mei 2015

Soms leek het alsof ik hun pijn kon voelen.

Ik was zes. Ik had een lieve juf met een hemelse stem. Als ze zong zag ik wolken, bloemen en de lucht zat vol geluk en ik glimlachte.
Ik was acht. Op de speelplaats zocht ik met mijn beste maatje altijd een rustig plekje op, weg van het grote lawaai. Wij hadden ons eigen wereldje van dolfijnen en orka’s, van touwtje springen en glitterstiften.
Ik was negen. Ik had een film gezien over Mozes en de slaven tijdens de godsdienstles. Ik kwam thuis. Ondersteboven. Ik zag de ontredderde gezichten van slaven, de littekens op hun armen en rug. Ik zag hun pijn. Soms leek het alsof ik hun pijn kon voelen. Drie nachten heb ik erover gedaan om de beelden ergens te verdringen. En ik herhaalde de zin: “Het was maar een film.” Dat hielp niet.
Ik was tien. Ik moest een opstel schrijven over wat me verdrietig maakte. Voorzichtig pende ik neer dat ik me soms droevig voelde als mijn vader voor een lange tijd naar het buitenland moest.  Mijn juf schreef een lange tekst vol complimenten over mijn stukje, maar ik was vooral geschrokken door al het rood op mijn blad.
Ik was elf. Ik had proefexamens. Heel serieus, want het zou bepalen welke studierichting ik daarna moest volgen. Ik was bibberend bang. De cijfers op mijn blad leken te dansen. De perfectionist in mij klapte volledig dicht. Dat ik wiskunde daarna zou beginnen haten, was eigenlijk bijna logisch.
Ik was dertien. Ik kreeg voor het eerst PO-lessen. Het voelde als vrijheid. Aan mijn tafel aan het raam, de zon, de lucht, boomtoppen, het zachte gekras van potloden, het puntje van mijn tong uit mijn mond, zoekend naar details om ze een levendige plaats te geven.
Ik was vijftien. Mijn leerkracht Nederlands vroeg wie er allemaal poëzie las in de klas. Als enige stak ik aarzelend mijn hand op. Ik bloosde een beetje, wat ik altijd doe in grote groepen. Van woorden hield ik echt, zoals anderen van koffie of boterkoeken houden.
Ik was achttien. Impulsief schreef ik me in voor de camino naar Santiago. Hunkerend naar natuur en stilte, naar antwoorden op de vele vragen in mijn hoofd. Verlangend naar de weg die me wel ergens zou brengen. En me uiteindelijk dichter bij mezelf bracht.
Ik ben vierentwintig. De puzzelstukjes zijn in elkaar gevallen, mede dankzij een leerkracht die nooit echt mijn leerkracht was, maar we dronken thee alsof we dat al jaren deden. Ik ben hoogsensitief, een term die voor het eerst geïntroduceerd werd door psychologe Elaine Aron in 1996. Volgens haar zou 15 à 20% procent van de bevolking het zijn, velen zonder dat zelf te beseffen.

Nu ik de term ken, biedt het dankbare houvast. Mijn oog voor detail is een zegen als scenarist. Mijn inlevingsvermogen is een enorme troef als schrijver en als mens. Mijn gevoeligheid aan geluid werkt als een waarschuwingssignaal voor te veel drukte. 
Dat professor Van Hoof dit onderwerp met nobel enthousiasme in de spotlights zet, kan ik alleen maar oprecht toejuichen. Het opent nieuwe ramen en deuren voor diepere lagen van talenten. Het maakt de kronkel in je voorhoofd die soms volgt na onbegrip, onrecht of pijn minder moeilijk. Het verbindt. Het maakt sterk. Het klopt. Het creëert kansen. Het verzacht. Het heelt. Het verdicht. Het omarmt. Het troost. Het lijkt alsof je jezelf na al die tijd beter kan lezen en begrijpen. Zonder te oordelen en te denken: ja, dat ben ik. En je glimlacht, eindelijk. 

maandag 13 april 2015

Tot die muur van maandagse realiteit er was.

24 jaar jong ben ik, ik heb een master op zak sinds juni en ben onmiddellijk fulltime aan het werk gegaan. Ik betaal alle soorten van verzekeringen waarvan ik van de helft niet goed weet waarvoor ik ze echt nodig heb en doe zelfs al aan pensioensparen. Ik ben ambitieus en perfectionistisch, houd van katten, koffie en kunst en was tijdelijk knock out, als het maar met een k begint.
Maandenlang combineerde ik mijn fulltimebaan met het schrijven van een verhaal, het uitwerken van een performance met een muzikant, het maken van een kinderboek, het bijhouden van een blog, het halen van een rijbewijs en het copywriten voor een kunstmagazine met daarnaast de nog zoveel andere besognes des levens. Minstens twee keer per week ging ik fitnessen, één maal per week ging ik lopen en elke dag fietste ik in totaal 16 kilometer naar het werk. Ik dronk groene thee, at superfoods en sliep voldoende. Karen Damen zou het met me eens zijn volgens ‘de boekjes’ hield ik er een ‘perfect’ leven op na. Ondertussen verloor ik ook mijn liefste grootmoeder en niet veel later nog een dierbare. Ik was er kapot van, maar er was geen tijd.
Het was op een maandag, zoals maandagen altijd zijn. Een beetje te grijs, een beetje te moe, een beetje te veel. Mijn lichaam had al eerder signalen uitgezonden. Het begon met wat onschuldige vermoeidheid, gevolgd door tinnitus en een chronische maagontsteking. Maandenlang heb ik die feilloos genegeerd onder het mom ‘niet overdrijven’, gevoed door een portie schuldgevoel. We zijn met z’n allen liever almaar sterk en gelukkig, dan kwetsbaar. Omdat dat nog altijd onterecht synoniem staat voor zwakte. Bovendien slaat het nieuws ons constant om de oren met besparingen, cijfers en feiten. Hoe we het met minder zullen moeten stellen, hoe we meer en langer zullen moeten werken, hoe woonbonussen worden afgeschaft, hoe onderwijs duurder wordt, etc. De beleidsmakers lijken immers overtuigd. Mijn generatie jongeren zal rechttrekken wat al zolang krom zit. Politici hebben ons in de vuurlinie gezet om er gezamenlijk plat op hun buik achter te gaan liggen. Elke generatie heeft nochtans haar dromen nodig.
Steevast bleef ik met die dromen, plannen en ideologieën rondhuppelen, op het einde tegen beter weten in. Ik was er namelijk van overtuigd dat rust iets voor katten was, voor ontkateren op een zondagochtend of voor senioren op hun oude dag. Tot die muur van maandagse realiteit er was.
Aan kniezen, kissebissen en klagen heb ik natuurlijk niets. Al zou ik de huidige Belgische maatschappij, haar beleid en haar geknoei, net als zoveel anderen, als kiespijn kunnen missen. Ik word stilaan kregelig van de permanente besparingsverhalen waardoor ik het gevoel heb dat ik op mijn dromen, woorden, geluk en koffie zal moeten besparen. Ook op mijn k’s dus. En ja, daar kan ik kwaad van worden.

woensdag 1 april 2015

We zitten tegen de eeuwigheid aan.

In maart heb ik maar één iets gepost op mijn blog en dat kan beter, denkt de perfectionist in mij. Ik deel u dan ook graag een zuchtje mee van het stuk waaraan ik werk met een fantastische muzikant en mens. 

Ze zegt me: Kind, leg je hoofd neer. Wees moe. Wees gewoon.
Ze zegt me: Ik troost. Troost. Laat me je troosten. Ik pluk tranen van wangen, zoals ik dat doe met broodkruimels in mijn bord aan het ontbijt en madeliefjes in het gras.
Er is muziek. Ze zingt een lied dat ik niet ken. Ik sluit mijn ogen. Ik zie het lied aan de hemel en de wolken vangen het.
Ze zegt me: Kom, slaap. Ik aai de zorgen uit je hoofd en dat doet ze ook. Ritmisch, zacht, alsof dat het best geluidloos gebeurt.
Ze zegt me: Wat ben je mooi. Zo gewoon. Zo zacht. En je gezicht met ogen waarin de wereld zit. Wat ben je mooi. Wat ben je echt.
We zweven en er is tijd. En niets moet en we weten dat niets moet.
Ze zegt me: Ik zal voor je zorgen, zoals beren dat doen. En ze gromt flauw. Er zit liefde in.
Ik nestel me dieper in haar vacht. Sla de woorden om me heen. Ik geloof. Ik voel dat ik geloof. Dat ik alles word en meer.
In het gras lig ik tussen de eerste lentige gelukjes en haar zon. Ik schuif de lucht open. Aan de horizon slapen altijd de mooiste dromen.
Ze zegt me: Sorry.
We zwijgen tussen de plooien van de woorden en wat we nooit gezegd hebben.
Ik zeg haar: Dat wist ik al. Ik zag het aan je leven en hoe je het almaar gehaat hebt.
Ze zucht. Ik zing een lied dat ik niet ken. Ze sluit haar ogen.
Ik zeg haar: Ik herinner me alles mooier dan ik eigenlijk kan.
En tik op mijn hoofd waar de beelden even trillen en ik kijk en ik word en ik ben ook.
Ze zegt me: Sorry.
En ze meent het. De wind neemt alles mee. Ook de woorden. En ik wist niets meer en ik wist alles. En ik moest wel en ik mocht. En ik wilde vergeten en ik kon niet. En ik wilde huilen en ik kon niet.
We drinken nostalgie en worden dronken. We zitten tegen de eeuwigheid aan en we worden en we waren.
Ik zeg haar: Kind, leg je hoofd neer. Wees moe. Wees gewoon.



zaterdag 14 maart 2015

Hallo, er ligt een schoen op uw dak.

Je bent er al even niet meer. Ik ben vergeten te tellen hoelang, maar ik voel het wel overal. Soms. Ik denk aan je huis. Er was Radio 2 en jij in de keuken, geuren van soep, gezelligheid en zondags geluk. Wij met z’n drieën op de koer, kattenkwaad en stoepkrijt. Opeens een schoen op het dak van de buren. Het was de tijd van skateschoenen en ik was gewoon een skatemeisje. Of dat wilde ik toch zijn. Ik had gewed met mijn zussen om mijn schoen zo hoog mogelijk te schoppen. 
Ik gilde. Zij ook. Volle paniek in jouw keuken. Daarna een glimlach van ongeloof en blik op het hoge dak. Hand in hand liepen we vervolgens naar de buren. Ik drukte de bel in. Zo’n goudbronzen leeuwenkop met open mond. 
‘Hallo, er ligt een schoen op uw dak.’
Ik stond zo onschuldig mogelijk naast je te zwijgen.
‘Pardon?’
‘Mijn kleindochter heeft per ongeluk haar schoen op uw dak geschopt.’
‘O.’
In haar voorhoofd verschoof een rimpel. Het maakte haar lelijk.
‘Euh, ik zal de schoen straks naar beneden gooien.’
‘Bedankt.’
Deur dicht. Jij lachte. Ik ook.
‘En geen schoenen meer op het dak schoppen.’
Je wilde streng klinken. Ik knikte braafjes. Hand in hand wandelden we terug. Jij, die keuken in. Ik de koer op. Met zes ogen op het dak. Wachtend. De schoen viel. Ik trok hem terug aan. Heel even overwoog ik mijn schoen te knopen, zoals dat hoorde, maar deed het niet. 

dinsdag 24 februari 2015

Krater

Ze zeggen dat het tussen mijn oren zit. Ik denk: niet waar, het zit tussen mijn benen. Ze zeggen ook dat ik gek ben en ze laten het zo klinken alsof dat altijd waar is. Of dat denk ik toch en soms denk ik dat ze gelijk hebben.
Ik weet wel wat de norm is van normaal. Ik weet ook dat ik dat een lelijk woord vind. Verder weet ik weinig, alleen dat weinig weten af en toe ook handig is. Om te dromen, bijvoorbeeld, of om te leven. Ik heb een dokter en een psychiater die allebei hetzelfde over mij denken. Als ze erover praten, leunen ze achterover in hun fauteuil met de handen in hun haren en geven mij uiteindelijk papieren met pillen op.
Soms neem ik die. Meestal niet. Soms staar ik gewoon naar de muur, naar de grond of naar het bed. Soms wiebel ik op mijn stoel weg en weer, op en neer. Soms gaan mijn handen vanzelf over mijn benen, mijn dijen en mijn borsten. Soms lees ik te moeilijk boeken en probeer ik daar iets van te onthouden. Meestal lukt dat niet. Soms wil ik begeerd en gestreeld worden, verscheurd en verdeeld, genomen en bespeeld. Soms wil ik gered worden. Door iemand met de juiste handen en naam. Soms wil ik mezelf redden, maar weet ik niet hoe. Soms wil ik gewoon seks om seks te hebben, om twee lichamen te zijn in plaats van één. Om tijdelijk twee hoofden en twee levens te hebben. Ik houd van tijdelijkheid. Het maakt details abnormaal belangrijk, zoals de kleur van mijn sokken, de dagen van de week en de zweetdruppeltjes tussen mijn borsten achteraf. Soms wil ik gewoon gewild worden.
Te veel willen, is moeilijk, weet ik. Beheers je, zit recht, benen dicht, bloes dicht, knopen dicht. Kijken mag, aanraken niet. Niets. Nooit. Raak me aan. Ruis in mij. Eet me op. Lik me tot ik spin. Maak me nat. Betast me. Laat me verdwijnen. Benen dicht, gedraag je, handen naast het lichaam, lippen op elkaar, kleren aan, broek aan, verstand aan.
Kus me tot ik mooi ben. Neem me tot ik vergeet. Heb me lief tot ik liever ben en liefst. Wil me tot ik iemand word. Voor even, voor altijd. En daarna is er enkel een boom in de tuin waar een vogel tjilpt, koffie in een kop die allang koud is, barsten in het witte plafond, twee pillen, schimmel en slikken tot het voorbij is. 

donderdag 12 februari 2015

Zwijgen, weglachen en soms doodgewoon negeren.

Tegenwoordig lees ik de krant met vertraging nu ik werkmens ben. Het is mijn ideaal excuus om alsnog te reageren op een artikel uit het Nieuwsblad van woensdag 11 februari 2015. Daarin las ik dat we met zijn allen pillen boven babbels met een psycholoog verkiezen. Amper vijf procent zou hulp zoeken bij een psychotherapeut of psycholoog, terwijl er nog nooit zoveel Belgen waren met geestelijke problemen. 1 op 4 zal bovendien ooit geconfronteerd worden met ernstige psychische problemen en die term werd in het artikel niet nader verklaard.
Dat is veel, dat is serieus, dat zijn cijfers en voor menselijk besef hebben we die vaak nodig. Toch spotte ik ook een klein lichtpuntje. Er werd namelijk een lichte stijging vastgesteld ten opzichte van 2001 waar slechts twee procent naar een psycholoog of psychotherapeut stapt. Dat is iets, maar weinig en al veel te weinig als het op ons menselijk functioneren aankomt, vind ik.
En ergens kan ik blooteerlijk toegeven dat ik het wel snap. Een pil slikken, ligt bijna in de aard van ons hele systeem. Het is in vele gevallen behoorlijk doeltreffend, het werkt meestal snel en is vaak goedkoper dan therapie. A pill a day keeps the doctor away, zoiets dan en anders doen we gewoon alsof alles helemaal oké is. Geforceerd glimlachen en vrolijk doorgaan hebben we uiteindelijk al op erg jonge leeftijd geleerd en vaak hebben we er dan ook een ongelofelijk talent voor. Zwijgen, weglachen en soms doodgewoon negeren. Ik zeg dit natuurlijk, omdat ik mezelf er al vaak op betrapt heb. Ik zeg dit ook, omdat ik zo’n mens ben die ondertussen bij de vijf procent hoort. Ooit, ja, heb ik beseft dat ik niet supervrouw ben die het altijd perfect en waterdicht voor elkaar krijgt en dat het oké is om het even uit handen te geven Ik heb het mezelf gegund, want dat is het in essentie wel, vind ik. Het was overigens één van de weinige beslissingen waarna geen enkel spatje spijt was. 
 
Ik heb getwijfeld of dit mijn blog zou halen, maar dan zou ik mezelf betrappen op schaamte en taboe en alle andere gevoelens en gedachten die in oorsprong die magere 5 procent maken. Dus bij deze, lees dit, denk na, bezin, wees eerlijk, maak keuzes en kom daarvoor uit. Het zou ons allen misschien verder kunnen helpen op de mooist mogelijk manier. Weest niet altijd superman of supervrouw, al klinkt dat misschien behoorlijk sexy, soms is het ook heel gewoon even onhaalbaar. 

zaterdag 7 februari 2015

Zwarte sneeuw

Vroeger was ik bang voor monsters onder mijn bed. Ik sliep met alle lichten aan. De nacht liet vaak verdwijnen wat gezien moest worden, zoals pa die ma sloeg en Auke die stiekem het huis verliet en nooit meer terugkwam. Nachten vulde ik gewoonlijk met schaapjes tellen of soms ook varkens, potloden scherpen en te moeilijke boeken lezen.  
Toen ik 12 was, besliste ik nachtwaker te worden op een kerkhof om tussen graven en doden te dwalen, die te tellen en zelfs enkele namen te onthouden voor mijn kinderen later. Pa zei dat ik goed gek was. Ik nam bokslessen en begon sigaretten te roken. Later zou ik ook een snor nemen die naar boven zou krullen van deugnieterij en rijkdom. Ik zou muziek maken met een zwarte gitaar en op podia staan. Mensen zouden luid applaudisseren voor mij. Nooit zou ik zingen, had ik mezelf plechtig beloofd. Maar ik ben een echte brokkenpiloot als het op beloftes aankomt. En op verdriet, dan ook.

Vier jaar later zaten de nachten vol rock-‘n-roll. Ik ging op café, werd dronken en nam een tattoo. Mensen zeiden me dat ik een talent had voor mooie woorden en zinnen. Ik had ook een meisje Monica. Soms noemde ik haar ‘Bonnie’. Samen reden we nachtenlang op gestolen fietsen met lekke banden. Er was nooit een vuiltje aan de lucht toen we vreeën op groen gras aan de overkant van de Maas. Ze zei me eens dat ik het leven wel goed moest begrijpen als ik altijd zo gelukkig kon zijn. Ik kuste haar voorhoofd en zei haar toen dat monsters niet bestaan.