Alles gaat uit. De televisie, mijn telefoon en gsm. Ik zucht en denk: niets is erg weinig en doodgaan nog minder. De gordijnen trek ik dicht. Het is geen dag om zonlicht in het huis te hebben. Ik kijk nog even naar buiten waar het leven zich vertraagd heeft. Er zit een kat op groener gras aan de overkant en een vogel. Ik ken te weinig van soorten om te weten welke het precies is. Hij zit op een tak van een oude eikenboom en tjilpt met iets tussen dapper zijn en zondags ochtendgeluk. Straks vliegt hij weg naar hemelen waar alles vast beter is.
Ik haal de fotokaders één voor één van de muur. Ik wil niets meer hebben om vandaag te herinneren of morgen. Vanuit de keuken hoor ik het koffieapparaat pruttelen. Vroeger was dat het geluid van geluk. Nu van gemis. Op de salontafel ligt een pluk haar, een magazine en een horloge dat niet meer tikt. Opeens heb ik zin in pizza eten met frieten, veel kaas en een dikke klodder mayonaise. Maar ik heb enkel boter in de koelkast en kattenvoer dat ongelofelijk stinkt.
Ik wandel naar de keuken en schenk mezelf een kop koffie in. Eigenlijk lust ik dat niet, maar vandaag wil ik gewoon doen alsof. Met toegeknepen neus neem ik een slok. Bijna moet ik kokhalzen, maar ik denk aan taart, oud bestek en Beethoven. Aan dansen op de sofa met vuile schoenen aan. Het helpt net genoeg om nog een tweede slok te nemen. Ik wil mijn gsm zoeken en haar opbellen, maar dat kan natuurlijk niet.
Met mijn kop koffie ijsbeer ik door de keuken. Stiekem wil ik met gebalde vuisten op tafel slaan, alsof grote gebaren hier echt zouden helpen. Ik ben nooit het meisje geweest van met deuren slaan en harde woorden gooien, enkel dan in mijn hoofd als het moment allang voorbij was. Ik moest vroeger altijd lachen en rechtzitten op sofa met de benen dicht, omdat dat netjes was, antwoorden op vragen met meer dan twee woorden en kleine dingen eren, omdat dat alles in het leven was, zo zei grootmoeder altijd. Lippen mochten enkel rood gestift worden op Kerstmis en Pasen, maar meegaan naar de kerk gaan hoefde niet zozeer. Grootmoeder had haar prioriteiten.
Ik grabbel het blikje kattenvoer uit de koelkast en roep Louis. Hij spint zich rond mijn benen. Ik denk: aan zuchten heeft niemand wat en aan vloeken al zeker niet. Godverdomme. Ik denk: ik hoef mijn haar niet meer te wassen. Ik denk: ik hoef niks, geen details, geen woorden, geen tijd. En morgen ga ik naar de markt om sla en wortelen. Misschien nog een tomaat.
zaterdag 3 januari 2015
zaterdag 27 december 2014
Aan het woest willen en wildst dromen.
Vanmorgen
genoot ik van een heerlijk zondags ontbijt op zaterdag met twee van mijn
liefste vriendinnen. We praatten over het leven, over de liefde en wat we er
niet van begrijpen, over wat geluk kan zijn en wat net niet, over mijn blog en
hoe het al even geleden was dat ik er iets op schreef. Ik zei hen: ik weet soms
niet waarover te schrijven. Dat was eigenlijk niet waar. Soms krijg ik het niet
gezegd. Soms begrijp ik zo weinig. Dat antwoord zou dichter bij de waarheid liggen.
Bovendien
heb ik iets met het wisselen van jaren, met het van oud naar nieuw gaan. De
afgelopen tijd werd ik meermaals overvallen door een intens gevoel van niet
willen loslaten en niet kunnen loslaten, van missen en dat overal voelen, van
zomaar treurig zijn. Maar toen ik deze ochtend aan het babbelen was, vulde
zich in hoofd en hart ook een gevoel van dankbaarheid voor zij die dit jaar fel
gesupporterd hebben voor alle soorten van goeds en moois, voor zij waarbij ik
te pas en vaak ook te onpas heb aangeklopt met woorden van niet weten en
radeloos zijn, voor zij die er met harten onder de riem en alle juiste stiltes
waren. 2014 is zoveel opzichten het jaar geweest van grote veranderingen, maar
vooral van die andere en mooiere versie van mezelf die er pas was na de ultieme
poging het beter en best te maken, na de keuze te gaan voor wat moeilijk en
soms ook pijnlijk is, na het kleine verdriet gehuild te hebben en het grote
verdriet te durven doorvoelen, na het intens tot in de diepste en lelijkste
hoeken te gaan van alles wat collectief onder de noemer verleden huisde. Ik
bedoel maar, ik ben mezelf ook dankbaar dat ik het gedurfd en gedaan heb. Ik
ben oma dankbaar voor alles wat ik met vertraging van haar geleerd heb, voor
het verhaal en die open vragen, voor die portie spijt die bittersweet op alle
herinneringen sneeuwt.
Ik
zou voor 2015 aan goede voornemens kunnen doen. In essentie past dat perfect
bij wie ik ben, maar deze keer denk ik: laat maar. Laat het over aan de
verwondering als voeding voor elke nieuwe creatie, aan de spontaniteit te
springen in niet willen weten, aan grote en kleine kinderlijke vrolijkheden,
aan het woest willen en wildst dromen, aan het verlangen thuis te kunnen komen
bij jezelf, aan de passie als grondstof voor alle gekte, aan de twijfel die
elke vorm van vooruitgang stuwt, aan de durf die verdergaat dan die oude en
nieuwe angsten. Dat we geen lijstjes nodig hebben om voluit te gaan voor dat
nieuwe jaar. Dat we het gewoon moeten doen. Keihard, voor onszelf, voor die
andere en mooiere versie. Laten we dromers zijn en doeners en durvers in 2015.
dinsdag 2 december 2014
Dat elke mens zijn verdrietje zou moeten uitzitten.
Levensverdriet
Ze
zit op een bankje in het park waar ook kinderen zijn die eendjes voederen en
dametjes met hun hond wandelen, waar de herfst te laat is, maar het zo ook
mooier lijkt dan ooit. Elke dag passeer ik daar, maar vandaag zit ze er voor
het eerst met een sigaret in haar handen en ogen naar hemelen gericht. Ik meen
te zien dat ze snikt. Voorzichtig neem ik plaats. Zonder vragen. Ik
weet niet als ze dat leuk vindt, maar ik doe het toch. Ze glimlacht niet. Ze
kijkt zelfs niet op.
Als
ik haar uiteindelijk vraag waarom ze huilt, antwoordt ze ‘zomaar’. Dat ze het
al vergeten is, maar dat de wereld zo somber is vandaag en het weer en de krant
en de lucht. Zeker dat laatste. Ze heeft haar verdriet te lang opgespaard,
omdat ze dacht dat dat goed was, wat natuurlijk onzin is en ze rolt overtuigd met haar
ogen. Opgekropt verdriet verdwijnt uiteindelijk niet. Net zoals opgekropte
woorden. Haar stemt kraakt een beetje. Ze neemt een trek van haar sigaret en
zegt dat ik moet stoppen met zielig kijken. Ik heb daar het hoofd niet voor.
Ze
huilt verder, zwijgt en vindt die stilte goed. We kijken samen naar een man die
verderop broodkorstjes in het water smijt. Naast hem staat een jongetje te
lachen. Stiekem kauwt hij op een korstje. Er zit wat schimmel aan.
Opeens begint ze te praten dat tranen eigenlijk niets zijn, enkel water dat
een beetje vreemd smaakt op je tong. Maar dat het dat moment is van laten rollen
over de wangen, hoe dat oplucht en goed kan zijn en mag en soms zomaar is en
soms ook moet. Dat ze zichzelf aan het redden is van niets kunnen voelen en
niets willen voelen. Dat elke mens zijn verdrietje zou moeten uitzitten op een
bankje in het park naast een vreemde met wat eendjes, herfst en schaduwen van
winter. Dan wordt alles vast beter en mooier. En ze glimlacht.
dinsdag 25 november 2014
Ik zei 'goedemiddag', terwijl het duidelijk nog ochtend was.
Zaterdagochtend
bevond ik me in Enschede, Nederland. Wikipedia had me verteld dat het tegen de
Duitse grens lag. Toen ik vrijdagmiddag een telefoontje kreeg van een onbekend
niet-Belgisch nummer moest ik heel even slikken. Ik zei 'goedemiddag', terwijl
het duidelijk nog ochtend was. Een vrolijke stem verbeterde me eerst en deelde
me dan mee dat ik de publieksprijs van A.L. Snijdersprijs 2014 gewonnen had. Of
ik niet naar Enschede kon komen? Alles was geboekt en betaald. Live op de
Nederlandse radio, NPO Radio 4. Foto’s in de krant. Een artikel. Mijn hoofd
deed een beetje gek en wild. En daarna wildst. Ik moest ook zeker zwijgen,
voegde hij er nog aan toe op het einde. Gelukkig kan ik dat laatste verdomd
goed.
En
daar zat ik dan, als enige Vlaamse tussen de zeven genomineerden voor de A.L.
Snijdersprijs met wat verderop A.L. Snijders zelf en die blik van wijsheid en
mooie woorden. ‘Nou, je hoeft geen zenuwen te hebben, je weet dat je gewonnen
hebt.’ Dat hebben een aantal mensen tegen me gezegd. Ik dacht: dat helpt niet.
Maar de Nederlandse vriendelijkheid hielp me wel een eind op weg.
Ik
heb het niet zo voor voorlezen en in de spotlights staan, maar wat moet, doe ik
dan ook met overgave en bibberlip. Zeker dat laatste. Ik dacht nog, zo net voor
mijn eerste woorden: geniet, dit is jouw moment. Dat deed ik. Het was geen
moment van perfectie, maar van menselijkheid. Tijd heeft me ondertussen geleerd
dat het laatste wel beter en mooier en echter is.
Mijn
verhaal ‘Klaar’ schreef ik eens in een bui van woede en onbegrip. Ik wilde
snappen hoe dat eventueel zou zijn aan het bed zitten van een grootmoeder die
euthanasie op basis van ondragelijk psychisch lijden zou plegen. Op 1 november,
mijn verjaardag, heb ik het opgestuurd. 7 november is mijn grootmoeder
overleden. Niet door euthanasie, maar heel gewoon en oma-achtig in haar slaap.
Dat ik die prijs uiteindelijk won met dat verhaal heeft het grootst mogelijke verdriet verbonden met hevig feestelijk geluk. Ik heb de dag dan ook afgesloten
daar bij haar. Met wat verhaal, vreugde en verdriet. En dan ’s avonds met een
nieuwe portie woorden bij wat wijn.
Mijn
amai amai amai, waarmee de Nederlanders flink moesten lachen, heb ik geruild
voor wat omg’s en joepie’s. Dat het goed is te schrijven op momenten van
verward en verdrietig voelen, dat het het hoofd en hart beter maakt, dat oma
waakt aan hemelen, dat toeval niet bestaat en dat prijzen winnen verdomd leuk
is.
En
dan bij deze ook een vrolijke dankjewel aan allen die de moeite namen te
stemmen. Lezers dus, hoe zot fijn die te mogen hebben voor dit verhaal!
zaterdag 15 november 2014
In woorden is alles altijd goed.
Vandaag
heb mijn haar korter geknipt en wat witter gekleurd. Gekheid, omdat ik daar
nood aan had en omdat ik kapsels vaak te snel beu word. Nu ik werk houd ik me wat
in, maar stiekem vind ik dat eigenlijk een stomme reden. Als ik bij jou zondags
zou langskomen, had jij dat natuurlijk als eerste gezien. Jouw ogen deden het
niet altijd zo goed, zei je wel eens, maar oog voor detail had je zonder meer, daar
kon zelfs ik nog iets van leren.
Op
één of andere manier is je horloge opnieuw beginnen tikken. Ik schrok me een
bult toen ik het opmerkte, had dan een enorme krop in de keel en straalde
vervolgens van zoveel klein geluk. Ik geloof niet meer in toeval, weet ik nu. Ik
geloof in het samenspel van meant to be’s, van ontmoetingen die er moesten
zijn, van onbewust weten en voelen, van waken over dromen en toekomst in hemelen. Zo weet ik zeker dat je mijn woorden donderdag gehoord hebt, want jij
had daar de juiste oren voor. Ik had toen ook een krop in de keel, maar dat was
zo’n juist geplaatste krop waarin alle verdriet en leven gekropen was.
Morgen
is het zondag. Dat was jouw dag. Ik heb je de laatste twee jaar zonder twijfel
te weinig bezocht en daar zijn eigenlijk geen geldige excuses voor. Ik ben ook
boos geweest, denk ik, toen jij midden oktober beslist had euthanasie te plegen. Iets in mij
kon dat niet begrijpen, maar dan ook, ergens snapte ik je honderd procent. Ik
bedoel jij had mijn boek niet gelezen, maar we hebben er toch over gepraat.
Voor je kerst ging ik je een audioversie cadeau geven. Ik was al een tijdje bezig
met inlezen, maar wat niet perfect was, deed ik zonder meer opnieuw en het werd
daardoor een werk van lange adem, maar ik had je het zo graag gegeven.
Misschien hoopte ik dat je erdoor van gedacht ging veranderen. Maar dat maakt
van mij ergens een egoïstisch mens.
Je
was de lijm tussen zoveel verschillende levens die ik allemaal geleefd heb en
leef. Je was supporter van de allerbest en mooiste soort. We waren stiekem
primusjes van de klas en hebben het nooit goed gevonden met rijbewijzen halen.
Ik zag in jou heel veel mij en omgekeerd was dat ook zo. Dat hoorde ik aan de
manier waarop je mijn naam uitsprak. Zo kan niemand dat.
Ik
zit er de laatste tijd bij met wat spijt, terwijl ik mezelf het tegendeel
beloofd had, toen je aanvraag voor euthanasie officieel was ingediend, maar dan
ook, ik had je geen mooiere dood toegewenst dan diegene die je kreeg. Zomaar en
plots, ja, dat klopt nu echt wel.
Hoewel
ik al twee jaar een verhaal schrijf over verdrietige mensen, ben ik verre van
een verdrietig mens zoals ik ze daar beschrijf, zie ik de dingen allesbehalve
duidelijk, voel ik soms te veel om het nog goed te weten, maar in woorden is alles altijd goed, helder en juist, zoals nu. Daar drinken wij koffie samen
en eten we taart, daar zit Mine terug bij ons op de schoot en draaien we samen
balletjes voor in de soep, daar eet ik nog alle snoepjes die je voor me kocht en drink ik meer Cola dan ik eigenlijk zou mogen, daar
springen we nog samen op de sofa en blijven we stiekem veel te lang op, daar is
alles heel gewoon voor altijd van jou en mij.
zaterdag 8 november 2014
Van natuur die zijn gang gaat en niet van handtekeningen op papier.
7
november 2014, Assebroek
Vannacht
kon ik niet slapen. Eigenlijk is dat niet abnormaal, aangezien het mijn vervelende
gewoonte is, en toch. Om 3.37 uur ging ik even naar het toilet. Ik heb iets met
nachtelijke tijdstippen. Meestal onthoud ik die verdomd goed. Nu denk ik dat ik
onbewust gevoeld heb hoe je op een halfuur rijden mij aan het sterven was. Dat
moet dan wel. Of ik wil het zo in mijn hoofd hebben, dat maakt alles zachter
hier. Ook het verdriet.
Ik
heb eerst iets van neen geroepen toen het nieuwtje kwam, dat het niet kon. Dat
jij moest blijven. Twee weken geleden hadden we dat toch beslist en ook niet, want het was geen keuze, maar eerder het gebrek eraan. Euthanasie op basis van ondragelijk psychisch
lijden, ik vind dat een verschrikkelijk woord, maar als het op laatste wensen
aankomt, kun je maar beter manieren vinden om door te gaan en dat deden wij. Het
zou van mijn fictie bijna realiteit maken en ook niet, maar ergens in mijn
hoofd was ik gaan wennen aan het idee, zacht en traag, zoals ik dat het beste
doe, al schrijvend ook. Ik had er een punt van gemaakt hoe we nog over het
vroeger gingen hebben en alle open vragen. Met zulke verhalen mag een mens niet
sterven, zat ik almaar te denken. Dat het donker en onder matten geveegd gedoe uiteindelijk
het licht zou zien en jij als mens met iets van vrolijkheid de wereld zou
verlaten. Zo had ik het gepland. En dan nu. Dat de dood het moet hebben van
plotseling en opeens is me zo vaak gezegd, maar dat kon hier niet kloppen. Dat ik nu denk in termen van tijden terugdraaien en wat als, dat ik met
mijn ogen op hemelen zoek naar iets dat jij kan zijn, dat ik hoop dat waar je
bent beter was dan hier, dat ik je beter wilde begrijpen zo wie je geworden was
door alle tijden te doorlopen en dan met een portie kussen en knuffels het
zwart uit je hoofd zou halen en jij daarna met zo’n glimlach en wat zalig
zondags geluk zou wegzweven hoger en hoogst. En dan nu.
Als
het op trots zijn aankwam, was jij kampioen. Jij, met dat herhaaldelijk heerlijk
stoefen en het piëdestalletje voor jou dat met de jaren gestaag ging groeien en
hoe ernaast ook een besef kwam van grote verhalen en pijn waarover best
gezwegen werd. Jij, die met het tikken van de klok meermaals ging zuchten bij al
dat ouder worden, omdat wat jij niet kon controleren dan maar ook beter niet
bestond. Jij, die met jouw 85 jaren een gezondheid had waarop vele andere
leeftijdsgenoten stikjaloers zouden zijn, maar wat niet perfect ging, was nooit
goed genoeg. En dan nu.
Wie
zijn eigen euthanasie voor is, moet wel heel vastberaden geweest zijn om dood
te gaan, zit ik al even te denken. Zo was jij. Van al die keikopperij heb ik
alvast heel wat geërfd. Doodgaan in het holst van de nacht, inslapen dus. Dat
klinkt alvast mooier en beter en een oma-achtigere dood dan diegene die gepland
was. Van natuur die zijn gang gaat en niet van handtekeningen op papier.
Oma,
ik zie je nog zitten aan het raam, met daarbuiten alles van leven en als ik je
kamer binnenwandelde, volgde altijd zo’n vrolijk: Oh, Liesje. Ik neem je nu mee
in hoofd en hart, vooral in dat laatste dan. Ik vind je straks weer in de woorden
en alle stiltes en dan morgen ook opnieuw. Altijd opnieuw.
dinsdag 4 november 2014
De vrouw gaf geen kick meer.
Dit
weekend zat ik op de trein. Het was vrij rustig en ik kon alle lopende gesprek
met groot gemak volgen. Eigenlijk vind ik dat verdomd leuk, zo zitten luisteren
en dan in mijn hoofd heel wat vrolijk bij verzinnen. Het hoeft overigens nooit
te kloppen. Gelukkig maar, anders zou ik het vast veel minder fijn vinden.
Schuin
tegenover mij zat een man en een vrouw. De man zuchtte meermaals. Het waren van
die zuchten waarvan hij wilde dat zijn vrouw het duidelijk hoorde. Hij vroeg waar
ze in godsnaam waren. Het was zo’n vraag waarop onmogelijk een goed antwoord te
geven was. Ergens tussen Brussel en Gent, wist ik. Dat wist die vrouw ook, maar
ze zei niks. Hij irriteerde zich aan haar stilte. En dat ging zo een poosje
door. Hij zuchtend, de vrouw stil starend voor zich uit. Ze keek naar niks of
dat probeerde ze toch te doen. Ergens meende ik wat wanhoop in haar ogen te
spotten. Maar dan ook, ik heb iets met verhalen.
Het
waren zijn ribben. Dat wist ik ondertussen ook al en ze waren te laat
vertrokken uit Brussel. Ik verstond hem, maar voor elke andere niet
West-Vlaming was waarschijnlijk al wat onbegrip tussen de wenkbrauwen gekropen.
Opeens begon de vrouw aan haar horloge te prutsen. De man weigerde eerst te
helpen, deed het daarna toch met wat gemopper en toen dat niet lukte, gooide
hij haar wat scheldwoorden toe. De vrouw gaf geen kick meer en verviel in stil starend nietsen.
Ik
zat almaar te denken of die twee het in hun woorden nog over liefde hebben, over
man en vrouw zijn, over geluk. Ik vroeg me ook af hoe het zover is kunnen komen
dat zij het moeten hebben van stiltes en pijnlijke woorden, van kilte en permanent
zagen over banaliteiten, van vermoeid vloeken om allerhande absurde redenen.
Met
mijn vriendinnen praat ik vaak over de liefde, zoals je dat hoort te doen als
jonge twintiger. Ware liefde laat zich niet definiëren, denk ik, al heb ik de
slechte gewoonte om te gaan vergelijken, alsof me dat werkelijk ergens zal
brengen. Als ik er één iets over weet dan is het wel dat ik zelf niet goed
weet, maar wat valt er eigenlijk te weten? Volgens mij gaat het om voelen zo
ergens diep waar soms geen woorden zijn. Misschien denkt u nu wel dat ik het heel
mooi en romantisch laat klinken hier, maar dan denk ik dat dat liefde in alle
grote essentie zou moeten zijn zonder daarbij permanent te verlangen naar roze
geuren en maneschijnen en naar grassen die eventueel groener zijn aan de
overkant.
Ik
wil het over eerlijkheid hebben, jezelf de mooiste vorm van liefde te gunnen,
te denken dat dat goed is, te weten dat het keuzes zijn waarbij je woorden als durf
en moed nodig zult hebben. Dat zat ik almaar te denken, terwijl mijn ogen rustten
op die vrouw in de trein.
Dat
het dromerigs en naïef is, zo te durven denken, laat ik mij door weinigen
aanpraten, omdat ik vind dat je voor geluk en liefde en alles wat daarbij komt
kijken soms beter een rasechte dromer en durver blijft. .
Dat denk ik alvast nu en dan morgen denk ik het misschien anders. Misschien
niet.
Abonneren op:
Posts (Atom)