donderdag 12 februari 2015

Zwijgen, weglachen en soms doodgewoon negeren.

Tegenwoordig lees ik de krant met vertraging nu ik werkmens ben. Het is mijn ideaal excuus om alsnog te reageren op een artikel uit het Nieuwsblad van woensdag 11 februari 2015. Daarin las ik dat we met zijn allen pillen boven babbels met een psycholoog verkiezen. Amper vijf procent zou hulp zoeken bij een psychotherapeut of psycholoog, terwijl er nog nooit zoveel Belgen waren met geestelijke problemen. 1 op 4 zal bovendien ooit geconfronteerd worden met ernstige psychische problemen en die term werd in het artikel niet nader verklaard.
Dat is veel, dat is serieus, dat zijn cijfers en voor menselijk besef hebben we die vaak nodig. Toch spotte ik ook een klein lichtpuntje. Er werd namelijk een lichte stijging vastgesteld ten opzichte van 2001 waar slechts twee procent naar een psycholoog of psychotherapeut stapt. Dat is iets, maar weinig en al veel te weinig als het op ons menselijk functioneren aankomt, vind ik.
En ergens kan ik blooteerlijk toegeven dat ik het wel snap. Een pil slikken, ligt bijna in de aard van ons hele systeem. Het is in vele gevallen behoorlijk doeltreffend, het werkt meestal snel en is vaak goedkoper dan therapie. A pill a day keeps the doctor away, zoiets dan en anders doen we gewoon alsof alles helemaal oké is. Geforceerd glimlachen en vrolijk doorgaan hebben we uiteindelijk al op erg jonge leeftijd geleerd en vaak hebben we er dan ook een ongelofelijk talent voor. Zwijgen, weglachen en soms doodgewoon negeren. Ik zeg dit natuurlijk, omdat ik mezelf er al vaak op betrapt heb. Ik zeg dit ook, omdat ik zo’n mens ben die ondertussen bij de vijf procent hoort. Ooit, ja, heb ik beseft dat ik niet supervrouw ben die het altijd perfect en waterdicht voor elkaar krijgt en dat het oké is om het even uit handen te geven Ik heb het mezelf gegund, want dat is het in essentie wel, vind ik. Het was overigens één van de weinige beslissingen waarna geen enkel spatje spijt was. 
 
Ik heb getwijfeld of dit mijn blog zou halen, maar dan zou ik mezelf betrappen op schaamte en taboe en alle andere gevoelens en gedachten die in oorsprong die magere 5 procent maken. Dus bij deze, lees dit, denk na, bezin, wees eerlijk, maak keuzes en kom daarvoor uit. Het zou ons allen misschien verder kunnen helpen op de mooist mogelijk manier. Weest niet altijd superman of supervrouw, al klinkt dat misschien behoorlijk sexy, soms is het ook heel gewoon even onhaalbaar. 

zaterdag 7 februari 2015

Zwarte sneeuw

Vroeger was ik bang voor monsters onder mijn bed. Ik sliep met alle lichten aan. De nacht liet vaak verdwijnen wat gezien moest worden, zoals pa die ma sloeg en Auke die stiekem het huis verliet en nooit meer terugkwam. Nachten vulde ik gewoonlijk met schaapjes tellen of soms ook varkens, potloden scherpen en te moeilijke boeken lezen.  
Toen ik 12 was, besliste ik nachtwaker te worden op een kerkhof om tussen graven en doden te dwalen, die te tellen en zelfs enkele namen te onthouden voor mijn kinderen later. Pa zei dat ik goed gek was. Ik nam bokslessen en begon sigaretten te roken. Later zou ik ook een snor nemen die naar boven zou krullen van deugnieterij en rijkdom. Ik zou muziek maken met een zwarte gitaar en op podia staan. Mensen zouden luid applaudisseren voor mij. Nooit zou ik zingen, had ik mezelf plechtig beloofd. Maar ik ben een echte brokkenpiloot als het op beloftes aankomt. En op verdriet, dan ook.

Vier jaar later zaten de nachten vol rock-‘n-roll. Ik ging op café, werd dronken en nam een tattoo. Mensen zeiden me dat ik een talent had voor mooie woorden en zinnen. Ik had ook een meisje Monica. Soms noemde ik haar ‘Bonnie’. Samen reden we nachtenlang op gestolen fietsen met lekke banden. Er was nooit een vuiltje aan de lucht toen we vreeën op groen gras aan de overkant van de Maas. Ze zei me eens dat ik het leven wel goed moest begrijpen als ik altijd zo gelukkig kon zijn. Ik kuste haar voorhoofd en zei haar toen dat monsters niet bestaan.  

zondag 18 januari 2015

‘Krak’ vind ik een schoon woord.

Sinds vrijdag kan ik zeggen dat ik de Krak van Brugge 2014 ben. Stiekem moet ik wennen aan die titel. Ik ben een heel gewoon meisje dat weinig van leven weet en maar iets doet. En ik heb een pen en woorden en die twee samen leveren dan soms leuke dingen op. De titel heb ik eigenlijk te danken aan mensen die de moeite namen hun stem uit te brengen waarvoor ik hen allen warm dankbaar ben.
‘Krak’ vind ik een schoon woord. Je geeft ermee aan dat iemand op één of andere manier goed is in iets. Tegelijkertijd zijn synoniemen ervan breuk en barst die dan net gaan over kwetsbaarheid en menselijk zijn. 2014 is inderdaad een zot goed en heftig jaar geweest. Ik had toen clichématige voornemens als terug gaan lopen, meer tijd door brengen met oma, een rijbewijs halen… Eén van de puntjes was ook gelukkig zijn. Niet dat ik ongelukkig was, maar ik deed aan geluk dat in essentie niet bij mij paste. Ik waggelde om krakjes heen met een elegantie die er pas was na jaren van oefenen. Ik had zo nog lang kunnen doorgaan. Alleen wilde ik het niet meer.  Integendeel, ik heb gekozen om keihard te botsen, om toe te eigenen wat van mij was en weg te smijten wat ik deed om verkeerde redenen. Dan is er opeens ruimte, schrijf je brieven naar Poetin, schrijf je een boek dat alles raakt wat diepst zat, spreek je glansrijk voor een publiek en breng je poëzie op podia, terwijl je vroeger van verlegenheid liever onder schoolbanken verdween. Dus, ja, ik heb mezelf verbaasd. 

Wat ik nu denk, is dat we allen in essentie krakken zijn met krakjes die om verscheidene redenen niet altijd in hun mooiste en krachtigste element zijn, omdat we misschien denken dat we het niet altijd waard zijn, omdat we misschien het gevoel hebben dat er geen tijd is en dat we wel voornemens hebben, maar als het op echt leven aankomt we liever veilig verder gaan, omdat we denken dat wat iedereen doet dan ook wel goed moet zijn. Alleen waarom zou je je de best mogelijke versie van jezelf ontzeggen met excuses als angst, gemak en gewoonte?  Waarom zou je het almaar hebben over later dan, terwijl er enkel nu is? 
Zelf weet ik weinig, maar van één ding ben ik nu zeker dat ik altijd en oprecht voor de best mogelijke versie van mezelf wil gaan en dan in die poging, zo onderweg, soms letterlijk zelfs, vind ik wel iets dat in de buurt van geluk kan komen. En nooit meer wil van krakjes in de breedst mogelijke zin van het woord banaliteiten maken, alleen maar omdat ik dacht dat dat beter was. Dat is een echt een keuze die elke dag opnieuw wil maken. Ik bedoel, ik hoop u ook. 


zaterdag 10 januari 2015

Haar gezicht was bleek van gedachten.

Ze wilde wel, maar durfde niet. Ze zei het me met kleine oogjes. Iets in mij wilde haar warm en lang omhelzen, maar dat zou gezien alles een beetje raar zijn. Ik had haar maar net ontmoet op een kruispunt met veel auto’s en fietsers bij valavond. Aan de overkant van de straat zag ik haar staan. Minutenlang. Roerloos stil, alsof dat de plek was van grootse dagdromen. Ik stak met mijn fiets aan de hand de straat over. Mijn eerste hoi had ze niet gehoord. Mijn tweede wel. Ze zei niets. Haar gezicht was bleek van gedachten.
Ik keek lief, zonder dat het zielig werd. Niets is zo ongemakkelijk als een zielig gezicht. Ze vouwde haar handen bijeen, alsof bidden hier zou helpen. Ik wilde haar laten, maar ze hield me tegen. Dat ik moest blijven en kijken hoe dag en nacht in elkaar overgaan, dat wij vergeten stil te staan en wie dat letterlijk doet ook alles voelt, zoals zij nu. Ze wees naar de horizon en alle hemelen waar verdrietjes zich verzameld hadden in het roos en blauw. Ze zweeg en keek. Ik keek mee. 
Opeens nam zij mijn hand vast. Dat ze wel wilde doorgaan, maar niet durfde. Dat ze vast zou vergeten of ook niet helemaal hoe het was, dat al dat stof op herinneringen door haastig leven haar afschrok en dus stond ze stil. Voor even dan, want er is altijd straks. Haar stem haperde. Haar blik bleef hangen op het niets. Er volgde een stilte die bijna onmogelijk was door alle drukke verkeer. ‘Alles goed met jou?’ vroeg ze plotseling. Ik draaide me en omhelsde haar. Ze begon te huilen. Ik ook. 

zaterdag 3 januari 2015

Naar de maan.

Alles gaat uit. De televisie, mijn telefoon en gsm. Ik zucht en denk: niets is erg weinig en doodgaan nog minder. De gordijnen trek ik dicht. Het is geen dag om zonlicht in het huis te hebben. Ik kijk nog even naar buiten waar het leven zich vertraagd heeft. Er zit een kat op groener gras aan de overkant en een vogel. Ik ken te weinig van soorten om te weten welke het precies is. Hij zit op een tak van een oude eikenboom en tjilpt met iets tussen dapper zijn en zondags ochtendgeluk. Straks vliegt hij weg naar hemelen waar alles vast beter is.

Ik haal de fotokaders één voor één van de muur. Ik wil niets meer hebben om vandaag te herinneren of morgen. Vanuit de keuken hoor ik het koffieapparaat pruttelen. Vroeger was dat het geluid van geluk. Nu van gemis. Op de salontafel ligt een pluk haar, een magazine en een horloge dat niet meer tikt. Opeens heb ik zin in pizza eten met frieten, veel kaas en een dikke klodder mayonaise. Maar ik heb enkel boter in de koelkast en kattenvoer dat ongelofelijk stinkt.

Ik wandel naar de keuken en schenk mezelf een kop koffie in. Eigenlijk lust ik dat niet, maar vandaag wil ik gewoon doen alsof. Met toegeknepen neus neem ik een slok. Bijna moet ik kokhalzen, maar ik denk aan taart, oud bestek en Beethoven. Aan dansen op de sofa met vuile schoenen aan. Het helpt net genoeg om nog een tweede slok te nemen. Ik wil mijn gsm zoeken en haar opbellen, maar dat kan natuurlijk niet.

Met mijn kop koffie ijsbeer ik door de keuken. Stiekem wil ik met gebalde vuisten op tafel slaan, alsof grote gebaren hier echt zouden helpen. Ik ben nooit het meisje geweest van met deuren slaan en harde woorden gooien, enkel dan in mijn hoofd als het moment allang voorbij was. Ik moest vroeger altijd lachen en rechtzitten op sofa met de benen dicht, omdat dat netjes was, antwoorden op vragen met meer dan twee woorden en kleine dingen eren, omdat dat alles in het leven was, zo zei grootmoeder altijd. Lippen mochten enkel rood gestift worden op Kerstmis en Pasen, maar meegaan naar de kerk gaan hoefde niet zozeer. Grootmoeder had haar prioriteiten.

Ik grabbel het blikje kattenvoer uit de koelkast en roep Louis. Hij spint zich rond mijn benen. Ik denk: aan zuchten heeft niemand wat en aan vloeken al zeker niet. Godverdomme. Ik denk: ik hoef mijn haar niet meer te wassen. Ik denk: ik hoef niks, geen details, geen woorden, geen tijd. En morgen ga ik naar de markt om sla en wortelen. Misschien nog een tomaat.

zaterdag 27 december 2014

Aan het woest willen en wildst dromen.

Vanmorgen genoot ik van een heerlijk zondags ontbijt op zaterdag met twee van mijn liefste vriendinnen. We praatten over het leven, over de liefde en wat we er niet van begrijpen, over wat geluk kan zijn en wat net niet, over mijn blog en hoe het al even geleden was dat ik er iets op schreef. Ik zei hen: ik weet soms niet waarover te schrijven. Dat was eigenlijk niet waar. Soms krijg ik het niet gezegd. Soms begrijp ik zo weinig. Dat antwoord zou dichter bij de waarheid liggen.
Bovendien heb ik iets met het wisselen van jaren, met het van oud naar nieuw gaan. De afgelopen tijd werd ik meermaals overvallen door een intens gevoel van niet willen loslaten en niet kunnen loslaten, van missen en dat overal voelen, van zomaar treurig zijn. Maar toen ik deze ochtend aan het babbelen was, vulde zich in hoofd en hart ook een gevoel van dankbaarheid voor zij die dit jaar fel gesupporterd hebben voor alle soorten van goeds en moois, voor zij waarbij ik te pas en vaak ook te onpas heb aangeklopt met woorden van niet weten en radeloos zijn, voor zij die er met harten onder de riem en alle juiste stiltes waren. 2014 is zoveel opzichten het jaar geweest van grote veranderingen, maar vooral van die andere en mooiere versie van mezelf die er pas was na de ultieme poging het beter en best te maken, na de keuze te gaan voor wat moeilijk en soms ook pijnlijk is, na het kleine verdriet gehuild te hebben en het grote verdriet te durven doorvoelen, na het intens tot in de diepste en lelijkste hoeken te gaan van alles wat collectief onder de noemer verleden huisde. Ik bedoel maar, ik ben mezelf ook dankbaar dat ik het gedurfd en gedaan heb. Ik ben oma dankbaar voor alles wat ik met vertraging van haar geleerd heb, voor het verhaal en die open vragen, voor die portie spijt die bittersweet op alle herinneringen sneeuwt.

Ik zou voor 2015 aan goede voornemens kunnen doen. In essentie past dat perfect bij wie ik ben, maar deze keer denk ik: laat maar. Laat het over aan de verwondering als voeding voor elke nieuwe creatie, aan de spontaniteit te springen in niet willen weten, aan grote en kleine kinderlijke vrolijkheden, aan het woest willen en wildst dromen, aan het verlangen thuis te kunnen komen bij jezelf, aan de passie als grondstof voor alle gekte, aan de twijfel die elke vorm van vooruitgang stuwt, aan de durf die verdergaat dan die oude en nieuwe angsten. Dat we geen lijstjes nodig hebben om voluit te gaan voor dat nieuwe jaar. Dat we het gewoon moeten doen. Keihard, voor onszelf, voor die andere en mooiere versie. Laten we dromers zijn en doeners en durvers in 2015.



dinsdag 2 december 2014

Dat elke mens zijn verdrietje zou moeten uitzitten.

Levensverdriet

Ze zit op een bankje in het park waar ook kinderen zijn die eendjes voederen en dametjes met hun hond wandelen, waar de herfst te laat is, maar het zo ook mooier lijkt dan ooit. Elke dag passeer ik daar, maar vandaag zit ze er voor het eerst met een sigaret in haar handen en ogen naar hemelen gericht. Ik meen te zien dat ze snikt. Voorzichtig neem ik plaats. Zonder vragen. Ik weet niet als ze dat leuk vindt, maar ik doe het toch. Ze glimlacht niet. Ze kijkt zelfs niet op. 
Als ik haar uiteindelijk vraag waarom ze huilt, antwoordt ze ‘zomaar’. Dat ze het al vergeten is, maar dat de wereld zo somber is vandaag en het weer en de krant en de lucht. Zeker dat laatste. Ze heeft haar verdriet te lang opgespaard, omdat ze dacht dat dat goed was, wat natuurlijk onzin is en ze rolt overtuigd met haar ogen. Opgekropt verdriet verdwijnt uiteindelijk niet. Net zoals opgekropte woorden. Haar stemt kraakt een beetje. Ze neemt een trek van haar sigaret en zegt dat ik moet stoppen met zielig kijken. Ik heb daar het hoofd niet voor.
Ze huilt verder, zwijgt en vindt die stilte goed. We kijken samen naar een man die verderop broodkorstjes in het water smijt. Naast hem staat een jongetje te lachen. Stiekem kauwt hij op een korstje. Er zit wat schimmel aan. 
Opeens begint ze te praten dat tranen eigenlijk niets zijn, enkel water dat een beetje vreemd smaakt op je tong. Maar dat het dat moment is van laten rollen over de wangen, hoe dat oplucht en goed kan zijn en mag en soms zomaar is en soms ook moet. Dat ze zichzelf aan het redden is van niets kunnen voelen en niets willen voelen. Dat elke mens zijn verdrietje zou moeten uitzitten op een bankje in het park naast een vreemde met wat eendjes, herfst en schaduwen van winter. Dan wordt alles vast beter en mooier. En ze glimlacht.