woensdag 1 oktober 2014

Vroeger waren ze vast experts in dat harde leven doen.

Blij word ik niet van die cijfers in de krant. ‘Bang, neerslachtig, depressief, één Belg op drie heeft psychische problemen’ En zo heeft ook 13,2% van de vrouwen last van hoofdpijn, dubbel zoveel als mannen. 20% lijdt aan lage rugproblemen, 20% heeft artrose, 1,9% van de Belgen heeft kanker, 8% een eetstoornis.

Eigenlijk had ik niet veel cijfers nodig om te weten hoe niet goed het ging. Ik kon wel even rondom mij kijken en dan hetzelfde vaststellen. Of toch ongeveer. Ik zie die dingen, denk ik beter dan iemand anders, omdat ik vaak zwijgend observeer en daarna ook iets durf te voelen in de zin van: shit, we zijn precies niet goed bezig. Af en toe wil ik dat eens roepen hier. Hopend dat iemand ooit zal luisteren.
Het artikel legt vooral de nadruk op de stijging van de psychische problemen bij jongen mensen. Volgens één de professoren mogen we daarbij niet vergeten hoe groot en zwaar de economische crisis daarbij kan zijn. Die onzekerheid die ze meebrengt, terwijl wij tussen al ons geperfectioneer liever houvast hebben, zekerheden tussen die flarden van besparingen en werkeloosheid. We willen daarenboven ook nog vaak de beste, leukste, liefste, mooiste, enthousiaste mens zijn die er bestaat. Vaak vergeten we ook waarom we dat doen, maar zijn gaan wennen aan het doen en dus doen we maar gezapig door. We hebben geleerd dat het eerst goed moet zijn voor anderen, dat er straks wel geluk te rapen valt ergens, ooit dat moet wel na dit alles, dat zwijgen beter is dan praten, dat altijd doorgaan vast gemakkelijker moet zijn dan even stilstaan en voelen.
Heel onbewust en ongewild, beetje bij beetje, af en toe, en soms ook niet, slepen wij wat last mee. Daarna nog meer. En meest. Tot het een gewoonte wordt en wij dan maar zeggen: ‘op uw tanden bijten moet je doen en je hebt sterke tanden. Mijn oma zegt dat soms. Ik moet daar meestal om glimlachen. Vroeger waren ze vast experts in dat harde leven doen.
Tijdens het lezen van dit artikel moet ik almaar denken dat het waar is. Dat wij jonge mensen met een ongelofelijk teveel door het leven huppelen en dan denken dat het altijd goed komt. Meestal. Dat dat teveel stiekem een leegte is die wij dan maar nodeloos vullen met alles en niets. Dat wij pijntjes weglachen en grote verhalen negeren, zeker die van vroeger, daar in de donkere plekken van een hoofd. Dat wij op sociale media levens hebben die mooi en fotoachtig goed zijn en dan opgelucht met die illusies leven, alsof dat ook bijna echt leven is.


‘Een alarmsignaal’, noemt Vlaams minister van Volksgezondheid Jo Vandeurzen dit. En dat is. Ik zou van mijn woorden bellen willen maken om ze voor u te luiden. Dat wij misschien heel even tussen zoveel leven dat soms aanvoelt als overleven, wat tijd mogen maken om te zuchten zomaar omdat het mag, om stil te vallen zomaar omdat dat nodig is, dat wij niet denken dat alles in een leven verdiend moet worden, dat wij durven te weten dat het geluk soms heel gewoon ligt in het met en bij uzelf durven te zijn. In die eerlijkheid en moed om dan af en toe te zeggen: ‘bon, nu even niet. Ik wil mezelf vandaag een heel klein beetje redden.'

donderdag 25 september 2014

Neem het niet!

Ik weet niet hoe jij deze morgen bent opgestaan. Meestal doe ik dat met mijn krant. En een kop koffie. Gezelligheid bij treurige woorden. Dat kan nog net werken. Vanaf woensdag ben ik werkmens en vallen de eerste Belgische bommen op ISIS. Die twee hebben eigenlijk niets met elkaar te maken, behalve dan dat 1 oktober op heel verschillende niveaus levens zal veranderen.
De nakende oorlog op ISIS zal ons iedere zo’n 170.000 euro kosten per dag. Momenteel wordt het bedrag geschat op een goede 15 miljoen euro, maar zoals dat wel vaker met geschatte bedragen gaat zal dat hoger liggen. Dat brengt mij een pagina verder in de krant waar de besparingen netjes staan opgelijst. Hallucinante bedragen waarbij je wenkbrauwen gaan fronsen en daarna even diep zucht. Het onderwijs zal 39,5 miljoen euro moeten besparen. Daardoor komen bijvoorbeeld noodzakelijke verbouwingen in het gedrang of zal bespaard worden op verwarming en verlichting. Hoort u het ook in Keulen donderen?  Of zal ik zeggen in ISIS?
De VRT moet het met 22 miljoen euro minder stellen. Dat bedrag ligt zo’n 7 miljoen euro hoger dan verwacht en zal leiden tot minder programma’s en meer herhalingen. Onze cultuur moet 32 miljoen besparen. Het grootste slachtoffer lijkt hier het lokale jeugdbeleid te zijn, maar volgens Vlaams minister van Cultuur Sven Gatz (Open VLD) zal het de levensvatbaarheid van de initiatieven niet aantasten. En wat denkt hij te doen met de levensvatbaarheid van een samenleving waar net de rol van cultuur als verdichter en katalysator zo onnoemelijk belangrijk is?
Onze regering lijkt in cijfers een betere samenleving te zien en denkt dat een evenwichtige begroting de sleutel tot succes is. Dat zij dat op de kap doen van leerlingen, studenten, starters, alle soorten van creatievelingen en makers die de toekomst eigenlijk in essentie kleuren, lijkt volledig aan hen voorbij te gaan. Zij denken wel geld te hebben voor bommen in een oorlog dat eigenlijk niet de onze is. Zij zijn zich bewust dat door die bommen de eigen veiligheid in gevaar komt. Zij houden zich krampachtig vast aan cijfers en procenten en vergeten ondertussen te kijken naar wat er in een samenleving aan het gebeuren is.  Neem het niet, beter dan Stéphane Hessel zal ik het niet kunnen zeggen.
Ik hoop dat de regering beseft dat elke beslissing die zij neemt een keuze is geweest en geen noodzaak en dat zij straks wanneer de bommen vallen, het onderwijs puffend vooruit moet, de VRT moet goochelen met beperkte middelen, zij kiest voor een België van hard boven hart, dat zij een samenleving van verschillen tot stand brengt, dat zij van collectief zuchten om belastingen en politiek een gewoonte heeft gemaakt, dat zij elke vorm van geluk en leven gereduceerd heeft tot een cijfer. En dan wens ik u, zoals Stéphane Hessel in zijn Neem het niet (wat u trouwens dringend op uw to-readlijst moet zetten), het volgende toe: “Ik wens u allen, gezamenlijk en individueel, toe dat u een motief hebt om verontwaardigd te zijn.”

vrijdag 19 september 2014

Bij gebrek aan antwoorden ging ik soms sneller wandelen.

Feit van de week: verwelkom een volwassenleven. Het bibberend bang zijn heeft plaatsgemaakt voor volbloed ambitie. Ik geef toe dat ik het leven als werkzoekende al beu was. Na twee weken leek ik een krak te zijn in sollicitatiebrieven schrijven, mijn tekst te voorzien van de nodige poëzie, vacatures opsnorren etc. Het wachten en ondertussen weinig doen, is geen leven voor een mens als ik. De schrijfsels bleven aan de kant liggen. De muizenissen slopen opnieuw onopgemerkt in het hoofd. Af en toe vloekte ik dan eens in alle stilte en ging gewoon maar door zoals wij, mensen, dat meestal doen.

Dan was er opeens geheel onverwachts het allereerste sollicitatiegesprek. Ik die liever schrijver dan prater ben, moest het daar gaan uitleggen. Ter voorbereiding had ik de laatste dagen af en toe in de spiegel tegen mezelf gepraat, kocht ik een nieuwe outfit en knutselde ik een artistiek portfolio bijeen. Ik uit zenuwen het best in alle soorten van enthousiasme en kan dat zo meestal bijzonder goed verstoppen.
En dan doe je dat gewoon. Glimlachen, grote gebaren en knikken. De stress was in mijn eerste zinnen gekropen en in de rode plekken in mijn nek. Op het einde bedankte ik hen en wandelde weg. De volgende dag zat er al goed nieuws op mail. Vroeger dan gepland. Ik ben namelijk ook zo’n soort mens dat nu in haast en spoed nog een rijbewijs moet zien te halen en de daar bijbehorende autofobie voor moet overwinnen. Het studentenleven heb ik met pijn in het hart vaarwel gezegd. Ik trek straks glimlachend nog eens naar mijn dak en mijn fantastische buurman die het dit jaar moet stellen met een andere, laat ik er maar vanuit gaan, minder toffe buurvrouw. Van mijn Brussel dat ik tijdelijk ruil voor een Brugge. Dat het ondertussen ook rommelt in al wat altijd vertrouwd en dichtbij is, dat ik denk dat fictie en realiteit soms te veel met elkaar te maken hebben, maakt van de afgelopen week een helse afwisseling van geluk en verdriet.
Eén maand geleden bevond ik me nog op 22 kilometer van het langverwachte Santiago en was ik al 400 km onderweg geweest. Ik had dagen achter de rug van denken en afzien, van leeg zijn en dat zo willen houden, van niets weten en denken dat het goed is, van tranen die er zomaar waren. Ik heb vaak gedacht: wat moet ik allemaal doen in mijn leven? Bij gebrek aan antwoorden ging ik soms sneller wandelen tot ergernis van mijn caminopartner, vloekte ik hardop of wentelde mezelf in stilte.


Ergens denk ik nu dat dit alles geen toeval is, dat de caminospirit in mijn hoofd en hart is gaan wonen, dat ik er een mooier mens van geworden ben, dat ik mag genieten van verdiend geluk, dat er uiteindelijk weinig te weten, maar veel te voelen valt en dat ik de moeilijkste caminovraag ingewisseld heb voor dit: wat moet ik allemaal voelen in mijn leven? 

zaterdag 6 september 2014

Sorry Brugge, genoeg is ook echt genoeg.


Al een tijdje is mijn ochtendkrant verrijkt met triestig nieuws over mijn schone stad, Brugge. Zo vielen in de aflopen maanden meer slachtoffers van zinloos geweld dan ik in mijn drieëntwintig Brugs bestaan kan herinneren. Na Mikey Peeters (19), die begin juni met een mes tot de verkeerde soort dood veroordeeld werd, viel genadeloos een tweede slachtoffer, Leslie Maes. Twee mannen trapten Leslie tot hij erbij neerviel. De politie liet beiden daarna onmiddellijk vrij. Ze verklaarden later dat er te weinig elementen waren om de mannen effectief aan te houden. En dat terwijl op het internet een filmpje circuleerde dat een buurtbewoonster gemaakt had. De man blijft nu achter met een schedelbreuk en een portie ontgoocheling en ontnuchtering. Dat laatste deelt hij alvast met vele andere Bruggelingen. Het collectief zuchten heeft alvast iets opgeleverd, want het parket zal de zaak nu toch verder onderzoeken. Zucht.

Naast zinloos geweld bood de stad de afgelopen week ook het hoofd aan een compleet andere kwestie. In de Brugse Reien zwom onverwachts een zwarte zwaan tussen witte soortgenoten. Het deed onmiddellijk denken aan het prachtige sprookje ‘Lelijke eendje’ en Bruggelingen doopten de zwaan spontaan tot Burilda Lanchals. Een warme welkom dus voor Burilda die niet veel later al een eigen fanpagina kreeg op Facebook ‘Zwarte zwaan moet blijven in Brugge’. Het stadsbestuur had immers geen oren voor die oprechte oproep van het volk. Uit traditie moest Burilda Lanchals onmiddellijk verdwijnen. Met een motorboot wilden stadsarbeiders deze zwaan vangen, maar die actie liep uiteindelijk in het water. Na een klopjacht crashte het motorbootje tegen een muur en dropen ze verslagen af. Nu blijkt een tweede zwarte zwaan op weg te zijn naar de Reien, maar niemand is nog bereid commentaar te geven. We hebben er genoeg van, verklaart Philip Pierins, schepen van Groen, in het Nieuwsblad.

Verder viel de vraag van staatssecretaris Melchior Wathelet (CDH) om de kerstverlichting dit jaar uit te doen om het gevreesde stroomtekort gedeeltelijk op te vangen ook in dovemans oren. Brugge gaat zelf verder en pakt uit met het grootste verlichte reuzenrad van Europa. Zo’n zestig meter hoog. Schepen Annick Lambrecht (SP.A) wil niet meedoen aan doemdenken en vergeet daarbij dat op 20 km van Brugge zones zes liggen, zoals Aalter en Maldegem, waar als eersten het licht dreigt uit te gaan. Alles voor de gezelligheid, gaat ze verder en zo worden woorden als solidariteit en barmhartigheid waar het in de kerstperiode echt op aankomt, schaamteloos vergeten.


Samen met u, Philip Pierins, heb ik er ook genoeg van. De opeenstapeling van sombere nieuwtjes zorgt niet alleen voor een fikse deuk in het imago van de stad, maar ook in mijn trots als Bruggeling. Ik hoop er samen met het stadsbestuur en alle mensen snel het hart voor Brugge terug te vinden waarnaar geluisterd kan worden als het op toekomstige maatschappelijke kwesties aankomt. Dat we naast logica en tradities ook een beroep durven te doen op ons gezond verstand, dat wij allen niet vergeten dat we gewoon mensen zijn, bewoners van een fantastische stad en dat wij kunnen kiezen voor een gezellig Brugge dat we niet hoeven te meten in hoeveelheid kerstverlichting of aantal witte zwanen in de Reien. 

zondag 31 augustus 2014

Tot driemaal toe heeft ze mijn naam gevraagd.

Ik maakte gisteren toevallig kennis met een heel fijne dame, Sylvia Konior. Misschien gaan bij sommigen nu al wat belletjes rinkelen. Ze had bloemetjesoorbellen aan en een groene bloem in het haar. Het was haar handelsmerk, zei ze glimlachend en overtuigd. Ze hield wel van wat overvloed, van ik draag wat ik wil en denk jij dan maar wat jij wilt. Ik dacht onmiddellijk dat het goed zou komen. Tot driemaal toe heeft ze mijn naam gevraagd en vertelde me erbij dat ze het toch zou vergeten. Ze zei het me zo spontaan dat ik het haar onmiddellijk vergaf.
Ik speurde in haar wat West-Vlaanderen op. Geen rasecht West-Vlaams, maar heel af en toe kroop het wel in de toon van haar woorden. Dat kan al eens gebeuren als je er al 17 jaar woont waarvan 8 jaar in Ruislede. Eén straat van 900 mensen, dat was haar West-Vlaanderen in een notendop. Af en toe valt er niet meer over te vertellen.
We dronken samen koffie. Zij een latte, ik zwart. We bevonden ons in zo’n omgeving waarover er al eens gemakkelijker over het leven wordt gepraat. Zij was een vreemde die met groot nonchalance de plooien in mijn hoofd leek glad te strijken. Zeven jaar is zijn nu al kunstfotografe. ‘Het leven is al saai. Laten we het niet nog saaier maken door dingen te doen die we niet willen.’ Zo ongeveer moet zij beslist hebben om een carrièreswitch te maken van de biochemie naar fotografie. Met succes leek me. Ze deed aan passiepraat. In haar taal waren beelden gekropen. Ze wil het onder andere over vrouwen hebben en over schoonheid in de zin van: doe toch eens normaal. Waarna ze me retorisch vroeg: maarja, ’t is toch waar. Ik knikte. Af en toe gniffelde ze kinderachtig schattig en voelde zij zich nog het kleine stoute meisje dat jaren later via de lens beelden vast kan leggen die iets kunnen raken bij toeschouwers.
Na een twee uur besloot zij weg te gaan. Ik bedankte haar voor de koffie en zoveel andere dingen tegelijkertijd. ‘Met u zal dat wel goed komen,’ herhaalde ze nog. Op het einde leek ze zelfs van plan mijn naam te onthouden.
Op haar site kunt u het volgende lezen: ‘Alles kan en veel is mogelijk.’
Met die woorden gaf ze mij onbewust een nieuw motto voor het straks dat eigenlijk al nu geworden is, voor het vinden van een job en voor het doen van mijn ding (D!NG), voor de enige zekerheid die ik momenteel heb: mijn dromen, voor de één september die ik als mens met een lerarendiploma oversla en voor mijn wakkere camino-blues.
Bij deze, surft u even snel naar: http://www.konior.be/nl/en ontdek daar wat er allemaal te bekijken, te voelen en te leven valt! 

maandag 25 augustus 2014

Af en toe doe je geen camino, maar ben je de camino.

De laatste beetjes weg. De kathedraal zagen wij al een uur voordien. De stad gaf weinig van zichzelf prijs. Ik heb me er wel degelijk opnieuw aan gestoord. We telden uren in kilometers en omgekeerd. Alles onderweg is eenvoud. We hebben de tijd en onszelf vertraagd. Dat kan, weet ik nu. Wij wandelden in stilte naast elkaar zoals we dat meestal gedaan hebben in de ontwakende ochtenden. We hebben geleerd te luisteren naar hoe nacht en dag in elkaar overgaan. Schoonheid heeft ook haar geluid.
Af en toe zuchtte ik uit vermoeidheid, uit pijn, uit het verlangen toe te komen en uit het onvermogen los te laten en beslissingen te nemen. Het moet rond 11 uur geweest zijn toen we aan de laatste rechte lijn begonnen. Eigenlijk deed het er niet meer toe. De eerste zon was er. We hebben ze dagelijks gegroet met een glimlach, zoals je dat doet in een gedicht. Op de camino heb je ongelofelijk veel aan poëzie.
Ik werd met elke stap groter dan de pijn. De laatste meters prikten de tranen al in mijn ogen. Nooit was ik zo klaar om voluit te huilen. Ergens hoorde ik het geluid van een doedelzak. Het plein werd tijdelijk bewoond door mensen, gearriveerde pelgrims. Je zag de last zo van hun schouders vallen. Mijn ogen raakten de kathedraal aan. Tranen van geluk zijn mooi. Ze tonen hoe echt het allemaal is. We zeiden niks meer. Soms valt er weinig met verdriet te doen, behalve eens goed te huilen. Anderen namen ons in de armen. Er volgden proficiats en enjoy. Ik heb de lucht een aantal Oh my gods geschonken en een glimlach. Dat ook. Het eindpunt was bereikt. Na zolang onderweg zijn, was aankomen buitengewoon fantastisch. Vooral als dat dan voelde als thuiskomen.
Een halfuur lang hebben we er gezeten. Lachend, huilend en alle varianten daarop. Zomaar, omdat het verder geen belang had hoe wij aan geluk deden.
Af en toe doe je geen camino, maar ben je de camino. Iedereen en alles is anders onderweg. Lourdes, een Spaanse jonge vrouw, had me dat gezegd. Zij leek te begrijpen waarop het in het leven allemaal aankwam. Met een gemak, maar zo oprecht. Ik hield ervan om naar haar te luisteren.


Na de zoveelste ontmoeting en het daarmee gepaarde afscheid zei iemand me: ‘Have a good life’. Ik zag de zin uit zijn mond rollen en wilde hem instant omhelzen. Nooit had ik zoveel tegelijkertijd begrepen en ergens in mijn hoofd zat een beetje Jason Mraz: ‘If you do it right you love were you are. Just know wherever you go. You can always come home.’


zaterdag 19 juli 2014

Het laat zomaar verdwijnen wat gezien moet worden

Gisteren werd ik treinzittend geraakt door de vallende avond, zo wanneer dag en nacht kleurrijk in elkaar overgaan. Ik kan daar van houden. De wereld en haar mensen waren allemaal in zomers zwoele sferen van kleine gelukjes en glimlachen. Ik liet mijn ogen op de wolken rusten en hoopte hevig dat er naast mij meer mensen waren die van dit natuurlijk schoons konden genieten en die weten dat er veel blind valt te wezen als het op leven aankomt.

Ik had de volledige treinwagon voor mezelf en vond het fijn zo kijkend alleen te zijn, omdat ik geloof dat er op en in plekken van eenzaamheid zoveel te voelen valt als je dat wilt. Ik zoek het liever nu en dan eens op dan het tevergeefs te ontlopen, want het maakt meer lelijk dan mooi en schuift pijn onder matten en in donkere hoeken van gewetens en harten. Het laat zomaar verdwijnen wat gezien moet worden. We denken veel te hebben aan gemiddeld gelukkig en ongelukkig zijn. Wel denkt u dan nog eens opnieuw.
In dit alles, dwaalden mijn gedachten af naar de Gazastrook en de mensen die er het leven laten voor zoveel verkeerde redenen, die van oorlog een norm hebben gemaakt voor overleven en leven en die onwetend zijn over elk stukje toekomst en ik soms denk hoe zij zo leven zonder zekerheden elke dag. Vele kilometers verder maakte een passagiersvliegtuig een fatale botsing met het aardoppervlak. In de ravage van brokstukken lagen onschuldige mensen die er gestorven waren voor een niemandslandoorlog waar verantwoordelijkheden doorgeschoven worden van de één naar de andere en er woorden uit monden rollen: ‘Als daar vrede was geweest…’  


Ik hoop dat nu het zomert in de stad en ons leven wij niet vergeten wat daar allemaal gebeurt, dat wij ogen openen en durven te vooroordelen en handen uitsteken en hopen dat iemand ze grijpt en begrijpt. Dat wij durven te weten wat in dit leven gevoeld en gezien kan worden om tot volle verandering te komen. Dat u geraakt kunt worden door het leven in haar schoonste en lelijkste vormen. Ergens tussen dat zalig zomers zijn ogen en gedachten laten rusten op wolken, op het hart en hoofd, op de tijd, op alle slachtoffers. Laten we daar alvast nu mee beginnen, denk ik dan.