zondag 17 juli 2016

Er is helemaal niets te doen, en ook dat gaan we beleven.



Er is helemaal niets te doen, en ook dat gaan we beleven. Alle hoeken van de kamer heb je al geteld en bewoond. Dat je niet meer luistert naar je naam, omdat je die gekregen hebt van de vrouw die je nooit liefhad. Het verhaal heb je me al zeven keer verteld. Maar huilen deed je niet. Wat heb je er aan, vroeg je stil tot het voelen het van het denken overnam, en je je ogen richtte op het enige punt dat veilig was; de toppen van je tenen. 

Gezocht: mens die me leert liefhebben, plakte je aan vijf willekeurige palen in de stad. Tekende er een hart bij, hoopte daarin alles te vangen wat je gemist had. Rood werd de kleur die je begon te haten. 

We zouden vannacht samen dromen. Sommigen zeggen dat dat kan. Dat waar de één start, de ander volgt, en omgekeerd. Ik ben de volger, houd het licht daar waar je nog iets moet zien. Van elke blik die ik al ontmoet heb, kijk je het meest zoals de zee. 

Je houdt niet van eindigen, maar weet dat het niet anders kan. We kunnen niet eeuwig reizen, hebben er het geld niet voor. Dat we arm zullen worden van verdriet, tot de dromen het weer overnemen. Omdat het om evenwichten gaat. Vandaag bijvoorbeeld nog het meest van al. 

Je hebt de klok om zeven voor acht gezet, zodat we nog minstens zes minuten hebben om elkaar opnieuw te ontdekken. Je maakt je schoot vrij voor mijn hoofd. Ik kende je alleen van horen zeggen, wist dat je voornamelijk leefde voor het ongeluk, maar dat zorgde voor de beste verhalen. Je wilde schrijver worden, dacht dat vooral ging om perfect kunnen schrijven, tot je ontdekte dat het voornamelijk ging over hoe je vingers elke dag aanraken. De tijd zo schikken dat ze altijd eeuwig duurt, ook al doet ze dat nooit. Waar realiteiten stoppen, begint het wit van een blad te jeuken. 

Als we echt wisten hoe herinneringen werkten, zouden we meer gaan leven, wat je ooit eens op een muur schreef die je later zwart verfde. Het is gelezen door wie het lezen moest. En de rest zal het vanzelf weten door tegen diezelfde muur aan te knallen. Medelijden is wat ons klein houdt, en wij moeten nog zoveel leeftijden worden. 

Wees maar stil, ik heb je al een keer opgevangen. Het is niet genoeg, nooit genoeg, en alle begin begint met wankelen. Je houdt mijn hand vast, zegt niets meer, omdat alles al gezegd werd toen de zon net opkwam en jouw lichaam nog het mijne was.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen