dinsdag 2 december 2014

Dat elke mens zijn verdrietje zou moeten uitzitten.

Levensverdriet

Ze zit op een bankje in het park waar ook kinderen zijn die eendjes voederen en dametjes met hun hond wandelen, waar de herfst te laat is, maar het zo ook mooier lijkt dan ooit. Elke dag passeer ik daar, maar vandaag zit ze er voor het eerst met een sigaret in haar handen en ogen naar hemelen gericht. Ik meen te zien dat ze snikt. Voorzichtig neem ik plaats. Zonder vragen. Ik weet niet als ze dat leuk vindt, maar ik doe het toch. Ze glimlacht niet. Ze kijkt zelfs niet op. 
Als ik haar uiteindelijk vraag waarom ze huilt, antwoordt ze ‘zomaar’. Dat ze het al vergeten is, maar dat de wereld zo somber is vandaag en het weer en de krant en de lucht. Zeker dat laatste. Ze heeft haar verdriet te lang opgespaard, omdat ze dacht dat dat goed was, wat natuurlijk onzin is en ze rolt overtuigd met haar ogen. Opgekropt verdriet verdwijnt uiteindelijk niet. Net zoals opgekropte woorden. Haar stemt kraakt een beetje. Ze neemt een trek van haar sigaret en zegt dat ik moet stoppen met zielig kijken. Ik heb daar het hoofd niet voor.
Ze huilt verder, zwijgt en vindt die stilte goed. We kijken samen naar een man die verderop broodkorstjes in het water smijt. Naast hem staat een jongetje te lachen. Stiekem kauwt hij op een korstje. Er zit wat schimmel aan. 
Opeens begint ze te praten dat tranen eigenlijk niets zijn, enkel water dat een beetje vreemd smaakt op je tong. Maar dat het dat moment is van laten rollen over de wangen, hoe dat oplucht en goed kan zijn en mag en soms zomaar is en soms ook moet. Dat ze zichzelf aan het redden is van niets kunnen voelen en niets willen voelen. Dat elke mens zijn verdrietje zou moeten uitzitten op een bankje in het park naast een vreemde met wat eendjes, herfst en schaduwen van winter. Dan wordt alles vast beter en mooier. En ze glimlacht. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen