zaterdag 10 januari 2015

Haar gezicht was bleek van gedachten.

Ze wilde wel, maar durfde niet. Ze zei het me met kleine oogjes. Iets in mij wilde haar warm en lang omhelzen, maar dat zou gezien alles een beetje raar zijn. Ik had haar maar net ontmoet op een kruispunt met veel auto’s en fietsers bij valavond. Aan de overkant van de straat zag ik haar staan. Minutenlang. Roerloos stil, alsof dat de plek was van grootse dagdromen. Ik stak met mijn fiets aan de hand de straat over. Mijn eerste hoi had ze niet gehoord. Mijn tweede wel. Ze zei niets. Haar gezicht was bleek van gedachten.
Ik keek lief, zonder dat het zielig werd. Niets is zo ongemakkelijk als een zielig gezicht. Ze vouwde haar handen bijeen, alsof bidden hier zou helpen. Ik wilde haar laten, maar ze hield me tegen. Dat ik moest blijven en kijken hoe dag en nacht in elkaar overgaan, dat wij vergeten stil te staan en wie dat letterlijk doet ook alles voelt, zoals zij nu. Ze wees naar de horizon en alle hemelen waar verdrietjes zich verzameld hadden in het roos en blauw. Ze zweeg en keek. Ik keek mee. 
Opeens nam zij mijn hand vast. Dat ze wel wilde doorgaan, maar niet durfde. Dat ze vast zou vergeten of ook niet helemaal hoe het was, dat al dat stof op herinneringen door haastig leven haar afschrok en dus stond ze stil. Voor even dan, want er is altijd straks. Haar stem haperde. Haar blik bleef hangen op het niets. Er volgde een stilte die bijna onmogelijk was door alle drukke verkeer. ‘Alles goed met jou?’ vroeg ze plotseling. Ik draaide me en omhelsde haar. Ze begon te huilen. Ik ook. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen